Dodes’ka-den




Er zijn maar weinig filmmakers wiens levensverloop (of althans
hun mentale levensverloop) duidelijker af te lezen is aan hun werk
dan Akira Kurosawa. Hij begon zijn carrière als auteur met
‘Drunken Angel’,
een energiek, vinnig werkstuk dat duidelijk een fundamenteel geloof
in de goedheid van de menselijke natuur toont. Tegen de tijd van
‘Ran’, in 1985,
zien we een oude, teleurgestelde man, geobsedeerd door ideeën van
verlies en dood. De jaren waren niet goed voor Kurosawa. Het
fascinerende voor een filmliefhebber is dan weer dat je die
ommezwaai in zijn werk kunt zien gebeuren. ‘Red Beard’, uit 1965,
was de laatste film uit wat meestal zijn glorieperiode wordt
genoemd. Vanaf ‘Dodes’ka-den’ liep het radicaal anders. Hij filmde
voor het eerst in kleur, ja, maar wat veel belangrijker is: zijn
mentaliteit tegenover zijn personages en hun verhalen werd
somberder. Kurosawa werd negatiever en hopelozer, zijn films werden
statischer en trager, en kwamen ook met steeds langere tussenpozen.
Die trend zou hij tot aan het einde van zijn dagen blijven
voortzetten.

De productie van ‘Red Beard’, die twee
jaar lang had aangesleept en immens veel geld had gekost, had
ervoor gezorgd dat Kurosawa’s reputatie van perfectionistische
tiran groter was dan ooit. Ook al was ‘Red Beard’ destijds een
enorm kassucces, niet veel geldschieters wilden het zichzelf nog
aandoen om met hem te werken. Kurosawa liep enkele jaren rond met
‘Dodes’ka-den’ voordat het hem eindelijk lukte de film gemaakt te
krijgen, en toen die uitkwam, flopte hij fenomenaal. De Japanse
critici waren niet mals en het publiek bleef weg. Toen hij enkele
jaren later eindelijk in het westen te zien was, werd de prent
onthaald als een zoveelste meesterwerk, maar tegen die tijd was
Kurosawa al lang in een depressie gesukkeld die ertoe leidde dat
hij zelfmoord probeerde te plegen.

Het onderwerp van de film zal wel gedeeltelijk het gebrek aan
populariteit verklaren: we volgen het dagelijkse leven van pakweg
tien straatarme Japanners anno 1970, die in geïmproviseerde huisjes
wonen op een stortplaats. Allemaal zijn ze mensen die werden
achtergelaten in de economische bloei van het industriële Japan van
de jaren vijftig en zestig (een wereld die Kurosawa eerder had
bezocht en bekritiseerd in zijn films, met het meeste succes in
‘High and Low’).
We zien een wanhopige zakenman die mot krijgt van zijn vrouw, twee
bezopen vrienden die vrolijk aan partnerruil doen, een vader die
met zijn zoontje in het wrak van een auto woont, een meisje dat
inwoont bij haar oom en door hem wordt misbruikt, en een milde
kunstenaar die op de één of andere manier het geluk gevonden lijkt
te hebben. Tussen hen in, als leidmotief van de film, plaatst
Kurosawa het personage Rokkuchan, een mentaal gehandicapte jongen
die helemaal weg is van trams en elke dag door de kleine
gemeenschap op de vuilnisbelt tuft terwijl hij het geluid imiteert
dat trams in zijn oren maken: dodes’ka-den,
dodes’ka-den…

Het is erg verleidelijk om die arme Japanners op hun storthoop
uit te leggen als een metafoor voor het één of ander, maar het feit
is dat dit soort gemeenschapjes van verstotelingen nog steeds écht
bestaan. Daarom niet noodzakelijk op vuilnisbelten, maar in parken
en andere openbare plaatsen zijn er in de grote Japanse steden vaak
ambachtelijk in elkaar getimmerde krotten terug te vinden waar de
allerarmsten zich ophouden. Terwijl het land zich in de
sixties volop op de borst aan het kloppen was voor de
miraculeuze manier waarop ze uit het economische en sociale dal van
de Tweede Wereldoorlog waren gekomen, maakte Kurosawa hier een film
over de slachtoffers van die industriële opmars. Dat thema keert
steeds weer terug in Kurosawa’s eigentijdse films: welke prijs
betalen we voor wat we, bij gebrek aan een beter woord, vooruitgang
noemen? Welke menselijke en morele prijs betalen de grote bonzen
van dat wereldje (‘The Bad Sleep Well’,
‘High and Low’),
en wat zijn de gevolgen voor de armen, zoals ze hier getoond
worden? Kurosawa was een humanist, maar in ‘Dodes’ka-den’ toont hij
zich voor het eerst een uitgesproken pessimistische humanist.

De personages hier worden op een ietwat Altmaneske manier
afgetekend (hoewel Robert Altman rond deze tijd nauwelijks aan zijn
carrière begonnen was). We krijgen een ensemble cast, waarin we van
het éne personage op het andere springen, met menselijke tram
Rokkuchan als onze gids, die ons toelaat om de verschillende
figuren één voor één te leren kennen, en met enkele vrouwen op een
binnenpleintje als een soort van Grieks koor, dat op gezette tijden
commentaar mag geven op de gebeurtenissen. Het is Kurosawa’s
prestatie als filmmaker dat we nooit verward raken tussen de
verhalen, die veelal een gelijkaardig stramien vertonen: mensen
zitten diep in de miserie, maar dromen van betere tijden. (In die
zin vertoont ‘Do’deska-den’ veel gelijkenissen met ‘The Lower Depths’.) Het
mooiste voorbeeld daarvan is dat van de vader met zijn zoontje in
het autowrak: samen fantaseren ze een droomhuis bij elkaar, dat
steeds groter en luxueuzer wordt. Maar zij weten, net zo goed als
wij, dat dat huis er nooit zal komen. Hun verhaal eindigt dan ook
navenant.

En dat is dus de verandering in mentaliteit die er bij de
regisseur is gekomen: er lijkt nauwelijks nog hoop op redding te
zijn. Het is allicht geen toeval dat Kurosawa een goedaardige
kunstenaar introduceert, die de andere personages probeert te
helpen, maar ook zijn pogingen zijn op lange termijn maar een
druppel op een hete plaat. Als regisseur, lijkt hij ons te willen
zeggen, zou hij óók graag willen dat hij die personages kon helpen,
maar zo werkt het nu eenmaal niet. Uiteindelijk gaat het leven van
de stortbewoners ook maar in rondjes door, net zoals Rokkuchan
steeds maar in rondjes voor tram blijft spelen, zonder ooit ergens
te raken. Niemand stapt op of af. Niemand gaat ergens naartoe.

Stilistisch is ‘Dodes’ka-den’ één van Kurosawa’s interessantste
films, omdat het een filmmaker toont die zich geperfectioneerd had
in het gebruik van zwart-wit en nu voor het eerst op kleur
overschakelde. De regisseur aanvaardde kleur niet zomaar als
vanzelfsprekend, maar wendde het aan om zijn inhoudelijke punten
duidelijk te maken: hij maakt van ‘Dodes’ka-den’ een mengeling van
grimmig realisme, met veel grijs- en bruintonen, en dan af en toe
zéér gestileerde momenten, waarin hij felle primaire kleuren op het
scherm smijt. Plots kun je van een kilometer afstand zien dat we
ons op een set bevinden, de achtergrond ziet felrood of -geel en de
belichting is zo nadrukkelijk aanwezig dat je bijna de lamp kunt
zien staan. Dat is vanzelfsprekend een opzettelijke stilistische
truc, waarmee Kurosawa heel af en toe het realisme wil overstijgen
om een abstractie te maken van de emoties die hij toont. De
regisseur gebruikt die kleuren niet zomaar. Hij speelt ermee.

Verder introduceert Kurosawa hier de lange, vaak statische shots
waar hij in zijn latere films steeds verder in zou gaan, en het
gezapige tempo dat ook kenmerkend zou worden. En het hoeft gezegd,
‘Dodes’ka-den’ is een lange zit, vooral omdat je na pakweg
anderhalf uur het gevoel krijgt dat de boodschap onderhand wel is
overgebracht. Bovendien zit ook de muziek ditmaal niet goed: het is
alleen aan het begin en het einde echt storend, maar het klinkt als
het deuntje van een melige seventies dramareeks uit
Amerika.

‘Dodes’ka-den’ is vooral een film van een regisseur die na een
lange carrière plots opnieuw aan het zoeken is, die plots een
andere weg wil inslaan. Het resultaat is zeker niet zijn beste
film, maar wel een razend interessante.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 − zeven =