Ran




In 1985, vijftien jaar nadat hij het scenario schreef en vijf
jaar na zijn vorige film, ‘Kagemusha’, maakte
Akira Kurosawa zijn laatste grote meesterwerk. Sinds de Japanse
filmindustrie hem als een baksteen liet vallen na het immens dure
en problematische ‘Red Beard’ in 1965, had
de eens zo populaire regisseur het onwaarschijnlijk moeilijk om
überhaupt nog een film gedraaid te krijgen. ‘Dodes’ka-den’ werd een
commerciële flop, voor ‘Dersu Uzala’ werd hij
naar Rusland verbannen en ‘Kagemusha’ kwam er
enkel dankzij de hulp van Francis Ford Coppola en George Lucas. Ook
toen ‘Ran’ eindelijk in productie ging in ’84, vertrouwden zijn
landgenoten hem nog steeds niet helemaal. Kurosawa moest zijn
budget rondkrijgen met Franse steun. Maar zoals mijn grootmoeder
altijd zei: moeilijk gaat ook, en na anderhalf decennium lang met
het verhaal in z’n kop rond te lopen, bewees Kurosawa dat hij nog
minstens één briljante prent in zich had. 75 jaar oud, met steeds
slechter zicht en teleurgesteld in de business waar hij zijn leven
aan gewijd had, maakte hij een adaptatie van ‘King Lear’ waarin hij
al zijn wanhoop en walging op onvergetelijke manier tot uiting wist
te brengen. In ‘Ran’ zien we een regisseur aan het werk die koste
wat het kost aan de hele wereld wil bewijzen dat hij nog niet is
afgeschreven, dat hij het nog kàn. En verdomd, hij kon het nog.

In navolging van de tragedie van Shakespeare, draait ‘Ran’ rond
een oude krijgsheer, Hidetora (Tatsuya Nakadai), die er zijn hele
leven lang vrolijk op losgevochten heeft om uiteindelijk een
uitgebreid, vredevol rijk onder zich te verenigen. Nu hij zijn oude
dag voelt naderen, besluit Hidetora om zijn gebied te verdelen
onder zijn drie zonen. Zijn oudste zoon Taro krijgt de algemene
leiding en het eerste kasteel. Tweede zoon Jiro krijgt het tweede
kasteel en de opdracht om te luisteren naar zijn broer. Derde zoon
Saburo krijgt het derde kasteel met dezelfde instructies erbij.
Taro en Jiro knikken braaf van ja en beloven de wensen van hun
vader te gehoorzamen, maar Saburo ligt dwars. Hij wijst zijn vader
erop dat het enkel een kwestie van tijd zal zijn voordat de broers
zich tegen elkaar keren en het land weer ten oorlog kan trekken.
Dat is niet wat Hidetora wil horen, en de oude man verbant zijn
jongste spruit. Wat niet zo’n slimme zet was, want uiteraard had
Saburo gelijk: binnen de kortste keren wordt Hidetora verraden door
zijn twee oudste zoons, die hevig gemanipuleerd worden door de
echtgenote van Taro, Dame Kaede (Mieko Harada).

‘Ran’ is een film die waarschijnlijk alleen door een oudere man
gedraaid had kunnen worden, zowel thematisch als stilistisch.
Thematisch is er natuurlijk gewoon de plot, die draait rond een
oudere man die zijn dood voelt naderen en probeert om zijn zaken op
orde te stellen, enkel om te ontdekken dat hem geen geestesrust
gegund is. Wie dat wil, kan maar al te makkelijk paralellen trekken
met Kurosawa’s eigen carrière, en de manier waarop hij zich
verraden voelde door het Japanse filmwezen. Meer dan veertig jaar
lang zat Kurosawa al achter een camera, en aan het einde van die
rit moest hij in het Westen geld gaan zoeken.

Maar dat soort van
“spot-de-autobiografische-elementen”-spelletjes lijkt me
uiteindelijk niet echt lonend. Wat interessanter is, is de algemene
wereldvisie die spreekt uit ‘Ran’. Saburo zegt aan het begin van de
film niét tegen zijn vader dat een vredevolle samenwerking tussen
de drie zoons onmogelijk is omdat zijn broers een slecht karakter
hebben. Nee, hij houdt het op algemenere motivaties. De wereld zit
nu eenmaal zo niet ineen. Mensen kunnen macht niet delen zonder het
allemaal voor zichzelf op te eisen. Dat moét misgaan, los van de
individuele intenties van de personages. Elke pretentieuze prof
literatuur zal je uitleggen dat dat één van de fundamentele
eigenschappen van elke ware tragedie is: onvermijdelijkheid. Het
gevoel dat het nooit anders had kunnen lopen, zelfs los van de
vrije wil. De personages zijn voor een groot deel slechte mensen,
ja, maar dan vooral omdat de wereld op zichzelf corrupt is.

In die zin is het ook boeiend dat Hidetora, die hier wordt
opgevoerd als slachtoffer van de eerzucht van zijn zonen, zelf ook
niet zo’n bijster sympathiek personage is. We komen te weten dat
hij zijn rijk bij elkaar heeft geplunderd: hij veroverde zijn
eerste kasteel op de vader van Dame Kaede, en verplichtte haar
vervolgens om met zijn oudste zoon te trouwen – kun je het haar
echt kwalijk nemen dat ze achteraf op wraak zint? Een ander kasteel
brandde hij plat, en hij liet de dochter van die heer als concubine
van zijn tweede zoon dienen. Haar broer stak hij de ogen uit.
Wanneer Hidetora alles kwijt is, verraden door zijn zonen, klopt
hij vertwijfeld aan bij een vermolmd hutje. De man die er woont, is
de blinde broer.

De suggestie die Kurosawa maakt, is dat Hidetora achtervolgd
wordt door bad karma. Zijn slechte, oorlogszuchtige daden
worden hem nu verrekend. Hij wordt gestraft voor wat hij eerder in
zijn leven verkeerd heeft gedaan. Life’s a bitch: de orde
van de wereld staat je nauwelijks anders toe dan dat je egoïstisch
en vernielzuchtig handelt, maar daarna krijg je wel de rekening
gepresenteerd voor de fouten die de natuur in je menselijke aard
heeft ingebakken.

De kans dat u hier vrolijk fluitend zult vandaan komen is dan
ook gering, maar de stilistische vormgeving maakt hier toch een
opwindend schouwspel van. Kurosawa neigde in zijn latere leven naar
een steeds grotere eenvoud, en die lijn wordt hier regelrecht
doorgetrokken. Alles wordt in long shot of hooguit in medium shot
gefilmd. Er zit welgeteld één close-up in de hele film. Kurosawa
houdt zijn camera zoveel mogelijk stil, en de bewegingen die er dan
toch plaatsvinden, zijn eenvoudig en subtiel. Hij laat zijn acteurs
door het kader bewegen, zonder daar verder al te veel aan toe te
voegen. Zelfs de veldslagen worden vanop een afstand gefilmd, met
haast continu gebruik van overzichtshots – Kurosawa observeert zijn
personages als een kille, onbetrokken God die neerkijkt op zijn
zieligste creatie, de mens. Die stijl versterkt de inhoud: de mens
probeert maar tegen z’n negatieve natuur te vechten, tegen z’n
bad karma, maar God, Boeddha of noem het zoals je wil, kan
het geen bal schelen. Die kijkt toe vanop een afstand en grijpt
nooit in.

Daaraan koppelt Kurosawa de typerende theatrale acteerstijl die
terugkeert in de meeste van zijn films: vooral hoofdrolspeler
Tatsuya Nakadai, nochtans miscast in ‘Kagemusha’, maakt hier
meesterlijk gebruikt van grootse gebaren en gegrolde zinsgrepen.
Met zijn fel overdreven make-up doet hij sterk denken aan een
archetype uit het Noh-theater, een kunstvorm die hier, net zoals in
die andere Shakespeareverfilming, ‘Throne of Blood’,
nadrukkelijke invloeden heeft.

‘Ran’ heeft een kalm tempo, maar in tegenstelling tot ‘Kagemusha’ wordt hij
nergens langdradig, met een helder vertelde plot die zich continu
blijft ontwikkelen – in ‘Kagemusha’ zaten een
aantal scènes die eigenlijk niet veel bijdroegen, hier is dat niet
het geval. We zien hier een regisseur die triomfantelijk al zijn
critikasters een neus zet. Dat verhaal, die thema’s, die prachtige
visuele stijl met dat fantastische gebruik van primaire kleuren…
Dit is een waar genot voor elke zichzelf respecterende
filmfreak.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeventien + zestien =