Kagemusha




162 min. (180 min. director’s cut) /
Japan / 1980

De late films van Akira Kurosawa worden vaak geroemd om hun
strakke, extreem zuivere beeldvoering, en terecht: meer nog dan de
films uit zijn glorieperiode in de jaren vijftig en zestig,
gebruikte de regisseur in zijn laatste meesterwerken uit de jaren
zeventig en tachtig een filmgrammatica die weinig minder dan
briljant was in al z’n eenvoud. De camera bewoog nauwelijks nog,
maar elk shot was tot op de millimeter nauwkeurig georchestreerd en
het gebruik van kleuren was uitbundig expressief. Er is een heel
eenvoudige verklaring voor die visuele stijl: in deze periode van
zijn carrière moest Kurosawa vaak vijf jaar of langer wachten
vooraleer hij de financiering van zijn films rondkreeg. In de
tussentijd probeerde hij zijn projecten voor zichzelf in leven te
houden door schilderijen te maken van de shots die hij achteraf
wilde maken. Voor ‘Kagemusha’ maakte hij ettelijke tientallen
waterkleuren en schetsen. Bijna een decennium lang liep hij met het
idee van de film rond en tegen de tijd dat de camera’s eindelijk
draaiden, had hij niet alleen de hele prent al in z’n hoofd zitten,
maar een aanzienlijk deel ervan ook al uitgetekend. Geen wonder dan
dat hij er visueel zo strak en weloverwogen uitziet.

Het waren moeilijke tijden voor Kurosawa: hij stond gekend als
een tirannieke perfectionist die lak had aan budgets en
tijdschema’s, en na de flop van ‘Dodes’ka-den’ stond
niemand in Japan nog te springen om met hem te werken. Hij
probeerde zelfmoord te plegen en kon nadien enkel nog werk krijgen
in Rusland, waar hij ‘Dersu Uzala’ maakte –
zeker niet zijn beste film, maar wel één die in het westen werd
aangewend om de regisseur eindelijk wat erkenning te geven. Hij won
er een oscar voor, en kwam zo in contact met Francis Ford Coppola
en George Lucas, twee zelfverklaarde fans van Kurosawa. Zij hielpen
hem uiteindelijk om de financiën voor ‘Kagemusha’ rond te
krijgen.

Kurosawa noemde ‘Kagemusha’ achteraf zelf zijn generale
repetitie voor ‘Ran’, en die uitspraak
klopt op verschillende niveau’s: het is een episch kostuumdrama dat
zich afspeelt in feodaal Japan, maar waar ‘Ran’ vrij veel
veldslagen bevat, is de actie in ‘Kagemusha’ bijna onbestaande tot
op het einde. Gelijkaardige inhoudelijke thema’s worden verkend,
maar dan wel op heel verschillende manieren. Dezelfde acteur speelt
de hoofdrol, maar dan wel met een heel ander resultaat. ‘Kagemusha’
afdoen als ‘Ran
in wording’ is wellicht te weinig eer voor de opmerkelijke film die
hij op zichzelf bekeken ontegensprekelijk is, maar bepaalde ideeën
keren wel duidelijk terug in beide films, waarbij ‘Ran’ zonder meer de
meest volgroeide van de twee is.

De plot speelt zich af aan het einde van de feodale periode in
Japan. Krijgsheer Takada Shingen (Tatsuya Nakadai) is verwikkeld in
een oorlog met twee andere krijgsheren die tegen hem samenspannen:
Oda (Daisuke Ryu) en Tokugawa (Masayuki Yui). De inzet van hun
strijd is de verovering van Kyoto, en daarmee de eenmaking van
Japan onder hun beleid. Voor de veiligheid heeft Shingen een
dubbelganger gevonden: een kruimeldief die op het punt stond
gekruisigd te worden toen de broer van Shingen in hem een perfect
duplicaat van de clanleider zag. De dubbelganger wordt meteen volop
in zijn nieuwe rol gestort wanneer Shingen dodelijk gewond raakt na
een veldslag: om het voortbestaan van zijn clan te garanderen,
verzoekt Shingen dat zijn dood minstens drie jaar lang niet bekend
wordt gemaakt. De dubbelganger moet het dus permanent van hem
overnemen.

Kurosawa situeert dat verhaal op een zeer specifiek moment in de
geschiedenis: de overgangsperiode tussen een Japan dat door
verschillende krijgsheren geregeerd werd, en een ééngemaakt Japan,
waarin stabiliteit van een enkele centrale macht diende te komen.
De clanleiders hier vechten niet zomaar om een kasteel of een extra
lap grond, maar om de heerschappij over Japan. Dat idee van een
centraal bewind loopt blijkbaar samen met de introductie van de
westerse cultuur, die door Kurosawa regelmatig wordt aangehaald:
pelgrims uit het westen introduceren het katholocisme en zegenen de
krijgsheren wanneer ze ten strijde trekken. De personages drinken
wijn in plaats van saké. De regisseur suggereert dat op dat moment
in de geschiedenis nieuwe ideeën en gebruiken kwamen aanwaaien uit
Europa, en dat die hebben bijgedragen aan de ondergang van het
feodale Japan.

Want een ondergang is het: die éénmaking van het land wordt niet
gepresenteerd als een positieve gebeurtenis, maar als één die
gepaard gaat met heel wat miserie en bloedvergieten. Het is hier
dat er een interessante parallel valt te trekken met ‘Ran’: daar ging het
over een heer die de controle over zijn macht wilde behouden door
het te verdelen over zijn drie zoons, wat leidde tot chaos. Zolang
de autoriteit bij één persoon lag, ging alles prima, het was bij
het verdelen van de macht dat het misliep. Hier gaat het omgekeerd:
de verdeling van het land tussen de clans leidt regelmatig tot
interne oorlogjes, maar in feite gaat de wereld gewoon z’n gang.
Het is de ambitie tot éénmaking, tot een enkele autoriteit, die
alles naar de verdommenis helpt.

En Kurosawa keert nog wel meer van zijn gebruikelijke thema’s
om. Doorgaans is hij een regisseur die pleit voor individuen die
zich tegen het establishment verzetten (zie ‘Yojimbo’, ‘Sanjuro’ en zelfs
‘Red Beard’
allemaal onorthodoxe personages die hun individuele gevoel van
rechtvaardigheid volgen). Hier, daarentegen, toont hij hoe de dief
gaandeweg verandert in heer Shingen. Hij verliest zijn
individualiteit, gaat op in de clan, en hoe meer hij dat doet, hoe
sympathieker hij wordt voorgesteld. Wat Kurosawa precies
geïnspireerd heeft om zo’n heel ander standpunt in te nemen, is
natuurlijk een open vraag.

Dat alles wordt dus vormgegeven in een visueel ongelooflijk
rigide film. Het kleurgebruik is nog net niet zo uitgekiend als in
‘Ran’, waarin
elke partij zijn eigen kleur had, maar felle, bijna
impressionistische kleuren overheersen. Let op het groene licht
vlak voor de eerste veldslag. De rode en blauwe luchten tijdens de
gevechten. Of vooral die droomscène, die herinneringen oproept aan
een gelijkaardig moment in ‘Dodes’ka-den’ en
volledig losgeslagen is van de werkelijkheid. Het openingsshot van
‘Kagemusha’ duurt net geen zeven minuten: de drie aanwezige
personages zitten in een zorgvuldig geënsceneerde driehoek ten
opzichte van elkaar, een enkele kaars brandt om de compositie af te
maken. De camera beweegt meer dan zes minuten lang geen millimeter
– dat éne shot zet meteen de visuele toon voor de rest van de
film.

En het geeft ook meteen aan dat dit een trage prent zal worden.
Eén van de voornaamste redenen waarom ‘Kagemusha’ niet een even
groot meesterwerk is als ‘Ran’, is het bijzonder
trage tempo, waardoor de aandacht al eens dreigt te verslappen.
Bovendien is Tatsuya Nakadai perfect geschikt om de vorstelijkheid
van Shingen te spelen, maar is hij niet helemaal geloofwaardig als
de dief. Hij mist daarvoor de uitbundigheid en fysieke kracht.
Eigenlijk was dit een perfecte rol voor Toshiro Mifune, en
‘Kagemusha’ is dan ook de enige late film van Kurosawa waarin je
zijn aanwezigheid écht mist.

‘Kagemusha’ heeft tegenwoordig een beetje de ondankbare status
van “voorloper van ‘Ran’” gekregen, een
film die evenzeer in de schaduw van zijn roemruchte opvolger staat
als de dief in die van de krijgsheer. Maar ondanks z’n gebreken
verdient de prent het toch om uit die schaduw te treden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zes + dertien =