Drunken Angel




Akira Kurosawa zat al acht films ver in zijn carrière toen hij
‘Drunken Angel’ maakte, maar voor alle praktische doeleinden is dit
zijn debuut. Voor het eerst had de man die later zou uitgroeien tot
verreweg de bekendste Japanse regisseur aller tijden de volledige
artistieke controle over z’n film. Voor het eerst werkte hij samen
met zijn fetisjacteur Toshiro Mifune. Voor het eerst begon hij
thema’s te verkennen die later kenmerkend zouden worden voor zijn
carrière. En, niet onbelangrijk voor wie tegenwoordig een beeld wil
krijgen van Kurosawa’s werk, het is ook gewoon zijn vroegste film
die algemeen verkrijgbaar is.

Tot dan toe had Kurosawa vrijwel uitsluitend gewerkt als
regisseur en schrijver in dienst van de Toho-studio’s, die weinig
memorabele judofilms en romantische fantasietjes in elkaar mocht
draaien. Een broodfilmer zoals alle anderen, ver verwijderd van de
berucht perfectionistische, haast dictatoriale auteur die
hij later zou worden. ‘Drunken Angel’ was zijn overgangsfilm, de
prent waarmee hij zijn (relatieve) onafhankelijkheid opeiste, en
het resultaat is er dan ook naar: een sombere film over een ziek
land dat zich in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog probeert te
herpakken.

Takashi Shimura speelt dokter Sanada, een arts die ergens in een
vunzig Japans stadje anno 1948 probeert om zo goed mogelijk zijn
job te doen. De stad waar hij woont lijkt uitsluitend bevolkt te
worden door een verarmde groep sukkelaars, waarvan de kinderen
continu spelen aan een modderpoel, en door yakuza’s,
gangsters die zich ophouden in de plaatselijke danszalen. Sanada
wandelt door z’n leven met het berekende cynisme van een
gevoelsmens die te vaak is teleurgesteld: hij drinkt als een
Zwitser en spuit sarcastische terzijdes tegen iedereen die maar
luisteren wil. Op een avond loopt de gangster Matsunaga (Toshiro
Mifune) zijn praktijk binnen met een kogel in zijn hand. Nadat
Sanada die verwijderd heeft, komt de dokter tot de vaststelling dat
de yakuza aan TBC lijdt. Hoewel hij beweert dat het hem allemaal
niet kan schelen, probeert Sanada Matsunaga er toch van te
overtuigen zich te laten verzorgen. Maar die heeft andere
problemen: misdadig brein Okada (Reisaburo Yamamoto) is net uit de
gevangenis gekomen, en dreigt Matsunaga’s gebied in de stad over te
nemen.

Kurosawa werd altijd al één van de meest verwesterde regisseurs
in Japan genoemd – iets dat hem, zeker in 1948, niet altijd in dank
werd afgenomen – en de invloeden van de Amerikaanse cinema zijn ook
hier al duidelijk voelbaar. De visuele stijl, met diepe schaduwen,
licht dat door luxaflexen naar binnen komt gevallen en close-up
shots van in sigarettenrook gehulde gangsters, roept sterke
herinneringen op aan de film noir. Ergens ook wel logisch
– als de post-WO II desillusie waarvan de film noir altijd
het product heet te zijn al zo sterk aanwezig was in het land dat
die oorlog won, hoe moeten de verliezers zich dan wel gevoeld
hebben? ‘Drunken Angel’ werd gemaakt in een land dat slechts drie
jaar eerder twee atoombommen op z’n kop had gekregen en dat nu, op
de één of andere manier, moest beginnen aan een wederopbouw.
Kurosawa zou later nog een aantal films rond dat thema maken,
naarmate die reconstructie aanleiding gaf tot het moderne,
industriële corporate Japan van tegenwoordig (‘High and Low’, ‘The Bad Sleep
Well’
).

Hier gebruikt hij de tuberculose van één van de hoofdpersonages
als metafoor voor de staat waarin het land zich bevindt: een
verziekte modderpoel die misschien (héél misschien) nog genezen kan
worden, als er maar een breuk gemaakt kan worden met het verleden.
Net zoals Matsunaga misschien een kans op overleven heeft als hij
kan ophouden met roken, zuipen en feesten. En met op zich te laten
schieten, dat helpt ook altijd. Anderzijds symboliseert de TBC van
de yakuza ook gewoon de criminaliteit zelf – een ziekte op zich die
je langzaam maar zeker van binnenuit wegvreet.

Die metafoor wordt niet bepaald subtiel aan de man gebracht.
‘Drunken Angel’ is in zekere opzichten een film waarin Kurosawa nog
een beetje zijn stem aan het zoeken is, en de manier waarop hij ons
regelmatig met onze neus in zijn symboliek duwt (“heb je ‘t wel
gesnapt?”) is er soms wat te veel aan. Dat laat zich zeker voelen
aan het einde, waarin de regisseur niet kan weerstaan aan een dot
sentiment die in zijn latere films nooit nog zo nadrukkelijk
aanwezig zou zijn.

Daar staat wel tegenover dat de situaties en dialogen van
‘Drunken Angel’ over het algemeen vrij realistisch zijn. Het
clichébeeld van Kurosawa’s films is natuurlijk dat van de
samoerai-epossen, waarin erg gestileerd wordt geacteerd en de
scènes duidelijk constructies zijn. Hier wordt meer op naturalisme
gemikt – ‘Drunken Angel’ was natuurlijk hedendaags toen hij
uitkwam, maar kan nu perfect dienen als tijdsdocument. Neem nu de
openingsscène: Matsunaga zegt tegen dokter Sanada dat hij een
spijker in z’n hand heeft geslagen. Sanada verwijdert de kogel,
houdt die in z’n pincet omhoog en zegt cynisch: “Is dat een
spijker?” Een eenvoudig regeltje tekst, je hoeft geen Shakespeare
te zijn om dat te schrijven, maar het komt wel erg natuurlijk over.
Op dat moment krijg je het gevoel dat je naar echte mensen aan het
kijken bent, en het is op die momenten dat ‘Drunken Angel’ op z’n
best is. Wanneer Kurosawa daarentegen openlijk op emotie of (nog
erger) morele verontwaardiging begint te mikken, gaat de film à
la minute
stroever verlopen. Wanneer Sanada naar de modderpoel
achter z’n praktijk kijkt en tegen Matsunaga zegt: “Jouw longen
zijn even bedorven als deze brij,” krijg je spontaan zin om naar
het scherm te roepen: “Ja, ik snàp ‘m echt wel!” Gelukkig voor ons
zijn de momenten die wél werken in de meerderheid.

Kurosawa werkte zestien keer samen met Toshiro Mifune, die er
hier ontstellend jong en mager uitziet in vergelijking met z’n
bekendere films, maar Takashi Shimura liet hij maar liefst 19 keer
opdraven, zij het dan vaker in bijrollen. Shimura zal wellicht
altijd herinnerd worden als de leider van de ‘Zeven Samoerai’ en als
de stervende man in ‘Ikiru’, maar levert ook
hier een indrukwekkende prestatie als cynische dokter, van wie we
toch de hele tijd blijven aanvoelen dat hij eigenlijk een gevoelig
mens is. Zonder over de top te gaan suggereert Shimura wat er
schuil gaat achter die facade van sarcasme. Ook Mifune doet het
uitstekend. Zijn vertolking hier is zo ongeforceerd en
geloofwaardig, dat je meteen een idee krijgt van het bereik dat die
man eigenlijk had. Dit lijkt in niets op zijn zwaar gestileerde
samoerai-werk.

‘Drunken Angel’ is nog geen Kurosawa grand cru. Je zit
hier met een regisseur die voor het eerst zijn eigen zin mag doen
en nog een beetje zijn draai aan het zoeken is. Maar visueel is
alles al dik in orde, thematisch was hij in ieder geval met
interessante dingen bezig en er zitten ook in deze vroege film al
krachtige scènes waarin uitstekende acteurs volop hun ding mogen
doen. Goede voortekens, dus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 + acht =