C.R.A.Z.Y.




127 min. / Canada /
2005

Het is een beetje geven en nemen met de Canadezen. Voor elke
diepgevroren diamant van Atom Egoyam of vleselijk orgasme van
Cronenberg hebben we de platvloerse avonturen van de bende van
‘Porky’s’ en ‘Meatballs’ moeten tolereren. Dat de bijbelse
openbaringen van The Arcade Fire hun roots delen met het onheilige
geluid van Céline Dion is een al even bedroevende vaststelling.
Maar nu wint de hockeyminnende natie toch wat bonuspunten door ons
‘C.R.A.Z.Y.’ cadeau te doen. Een hemels stukje filmmagie over het
wel en wee van een disfunctionele familie in Québec gespreid over
drie turbulente decennia. Badend in een verrukkelijk retrosfeertje
en gedreven door een perfect gecompileerde soundtrack slaagt
‘C.R.A.Z.Y.’ erin om het toppunt van nostalgie te bereiken:
verlangen naar een tijd die je zelf nooit hebt meegemaakt.

Zac Baulieu (jong Canadees talent Marc-André Grondin) werd
geboren als kerstekindje op 25 december 1960. Gezegend met de gave
om het huilen van baby’s te laten stoppen en wonden te helen,
vervloekt met de last van een frustrerende zoektocht naar een
seksuele identiteit. Voor zijn irritante broers (een nerd,
een sportboer en een drugsverslaafde) is Zac een janet,
voor de mama (Danielle Proulx) is hij een geschenk uit de hemel en
voor de papa (Michel Côté zet een grootse prestatie neer) de
gevallen favoriete zoon. Via de eclectische richtingwijzers van
Jefferson Airplane, Charles Aznavour, David Bowie en Patsy Cline
probeert Zac zichzelf en de liefde van zijn teergeliefde vader
terug te vinden. Een queeste die hem tot ver in de voetsporen van
Jezus himself zal leiden…

Moesten de personages van ‘C.R.A.Z.Y.’ (een acroniem van de
voornamen van de zonen) dat verbasterde Québecois niet mompelen
(it’s French, Jim, but not as we know it), zou je zweren
dat je naar de nieuwe van Jean-Pierre Jeunet zit te kijken. Met een
warm, lichtsurrealistisch kleurenpalet en knetterende vonkjes
fantasie lijken de inwoners van deze originele familiekroniek
(gebaseerd op de mémoires van co-scenarist François Boulay) wel
uitgeweken verre familie van ‘Amélie’ uit Montmartre.
Niet dat Vallée een goedkope rip off heeft gedraaid
(integendeel, het verhaal bolt veel beter dan alles wat Jeunet al
op pellicule heeft getoverd), maar diezelfde stijl en visuele
spielerei zijn wel degelijk aanwezig en herkenbaar. Net zoals
Jeunet laat Vallée de realiteit en de fantasiewereld van het
hoofdpersonage op een subtiele wijze in elkaar vloeien. Zo begint
Zac opeens de lucht in te zweven wanneer het kerkkoor de suffe
middernachtmis opvrolijkt met de ‘woo woo’s’ uit ‘Sympathy
for the Devil’ van de Stones. Die momenten vallen op omdat de
regisseur ze schaars en intelligent inschakelt. Bij het betere werk
van Jeunet krijg je een fantasiewereld waar af en toe de realiteit
doorschemert, Vallée doet het omgekeerde door zijn realistische
omgeving heel kort en gepast te plagen met een larger than
life
-ingreep.

Ondanks de vele creatieve visuele hoogstandjes (de
slowmotion-crash met het brommertje!) vergeet Valleé nooit de focus
op het verhaal dat steeds dichter bij het hartje van de kijker zal
sluipen. De balans tussen het visueel aantrekkelijke en het
narratieve interessante wordt perfect uitgespeeld door de
technische trucjes (genieten met een shot waar de camera inzoomt op
een postkaartje van Jeruzalem dat ons effectief naar de heilige
stad brengt) steeds te laten fungeren als hulpmiddelen om het
verhaal kracht, sfeer of verbeelding bij te zetten. Het moet
verleidelijk geweest zijn om te overdrijven met die visuele
foefelarij, maar Vallée houdt de teugels strak en laat zich nooit
gaan om ostentatief te stoefen met wat hij allemaal kan met z’n
camera en montagetafel.

Als verteller is Vallée al even sterk bezig. Een coming of
age
-prent is al geen nieuw gegeven, en dan zijn er nog
gevaarlijke sentimentele valkuilen waar je voor moet opletten. Komt
daar nog bij dat het hier gaat om de bewustwording van een
homoseksuele jongen (de film is zo genuanceerd dat er eigenlijk
nooit echt definitief uitsluitsel wordt gegeven over de geaardheid
van Zac), wat weer makkelijk tot stereotypering of positieve
discriminatie zou kunnen leiden. Maar Valleé slaagt er wonderwel in
om met veel gemak langs die obstakels te slalommen. Ondanks de
relatief serieuze onderwerpen (uit de kast proberen komen in een
conservatieve familie en een drugsverslaving die het gezin nog
verder versplintert zijn nu niet bepaald happy times)
blijft ‘C.R.A.Z.Y.’ verbazingwekkend feelgood. Er schuilt
tragiek in de personages (hoor Michel Côté’s hart breken wanneer
hij z’n zoontje in vrouwenkleren ziet), maar Vallée houdt het
luchtig en toegankelijk en weigert het onconventionele optimisme op
te geven voor goedkoop melodrama.

Ook de révolution tranquille van Québec uit de jaren
zestig en zeventig wordt handig ingeschakeld om het persoonlijke
verhaal van de ‘trekken en sleuren’-familie binnen een groter en
sociaal relevant kader te plaatsen. Zac ondergaat een turbulente
revolutie die hem zal maken of kraken, net zoals het stadje en de
collectieve identiteit hun eigen crisis meemaken. Zelfs de
satirische uithalen naar de conservatieve en katholieke
overtuigingen van pa en ma Beaulieu komen sappig en ongeforceerd
over. Zo is de discussie over het ‘probleem’ van hun messiaszoon
even hilarisch als raak geobserveerd (Zacs vader vindt het maar
louche dat die Jezus op stap ging met langharige mannen in gewaden,
schitterend).

Bij de acteurs is het vooral vader Michel Côté die scoort. De
onder druk gezette vader-zoon relatie vormt de emotionele kern van
het verhaal en Côté vertolkt het subtiel, krachtig en
hartverscheurend tegelijk. En wedden dat je spontaan zal willen
meezingen wanneer hij voor de zoveelste keer ‘Emmenez-moi’ van
Aznavour uitbrult? Côté steelt moeiteloos de show, maar hij krijgt
wel stevig weerwerk van jonge hond Marc-André Grondin die de
twijfels en frustraties van Zac genuanceerd en gevoelig kanaliseert
via verschillende transformaties (van rolschaatsende
discoboy tot piekhaarpunker). Zijn hoogtepunt is
ongetwijfeld het ‘Ziggy Stardust’-moment waar hij de problemen van
zich af probeert te zingen (mét rode bliksemschicht-make-up) op de
tonen van ‘Space Oddity’. Die evocatieve soundtrack werkt trouwens
op sublieme wijze als auditieve teletijdmachine die de kijker een
handje helpt om in de juiste sfeer te komen. Het heeft de makers
van ‘C.R.A.Z.Y.’ een fortuin gekost om al die classics in
de film te krijgen, maar het levert wel de beste non-instrumentale
soundtrack op sinds ‘Almost Famous’.

Met de geur van het bruine leder in de neus en het geluid van
een krakende Patsy Cline-vinylplaat in de oren is ‘C.R.A.Z.Y.’ een
crazy goed filmpje om te koesteren. De kans is groot dat u
tegen het einde van de film meer affectie zal voelen voor de
getroubleerde Beaulieus dan voor uw eigen familie. En nu allemaal
samen: ‘Emmenez-moi au bout de la terre!’

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × 1 =