La Môme (La Vie en Rose)




140 min. /
Frankrijk/ 2007

Wist je dat Annie M.G. Schmidt eigenlijk een
rothekel had aan kinderen? Dat Hitler maar één teelbal had en de
grote vraag is of hij überhaupt ooit seks gehad heeft? En dat de
minnares van Einstein waarschijnlijk een groot aandeel heeft gehad
in het ontstaan van de relativiteitstheorie? Hoe ik dit allemaal
weet? Dat is heel eenvoudig: mijn moeder kickt op biografieën.
Zelfs de saaiste mensen krijgen bij haar respijt – ze zet
zich als een bloedzuiger vast op hun leven en voedt zich met
pittige details, maar gooit die niet weg als ze opgebruikt zijn. Ze
heeft er respect voor. Want niets is zo schoon als het échte leven.
Over Edith Piaf wist ze mij te vertellen dat dit frêle koddige
dametje zo straaljagerhard heeft geleefd, dat ze op haar
47ste al volledig opgebrand de handdoek in de ring moest
gooien (en ze zag er minstens 60 uit). Kubieke liters drank, een
morfineverslaving, eeuwige faam bij la foule, maar vooral
een hobbelige doch magistrale zangcarrière lagen daar aan de
oorzaak van. Deze anderhalve meter hoge straatmus maakt nu nog
steeds de hele aardbol verzadigd gelukkig met haar meterslang
rollende r. Stof genoeg dus voor regisseur Olivier Dahan om een
spetterende film over deze zotte madam te maken. Alleen vergat hij
gewoon om een scenario te schrijven. Merde!

Iemands leven vertellen, hoe begin je daar eigenlijk aan? Bij
het begin misschien? Dat leek videoclipregisseur Olivier Dahan veel
te vanzelfsprekend. Hij wou de wereld verrassen met een geheel
nieuw biografiegenre en begint blakend van enthousiasme aan zijn
missie. Iets té enthousiast zelfs. Als een kind dat net een nieuw
kleurboek heeft gekregen, begint hij gretig willekeurige plaatjes
in te kleuren. Hij bladert heftig van de ene bladzijde naar de
andere, van voor naar achter en laat overal kleurrijke
tags achter. Alleen is het resultaat op het einde een
beetje bedroevend: een onoverzichtelijke warboel waarvan geen enkel
plaatje volledig lijkt te kloppen. De chaotische aanpak lijkt op
het eerste gezicht geen slechte keuze, als parallel met het
tumultueuze leven van het lelijke eendje met de zwanenzang. Helaas
krijg je door het heen-en-weergezap tussen haar kindertijd, jeugd,
sterfbed enzovoort, niet echt de kans om je in te leven.

Dahan verwacht blijkbaar van zijn kijkers dat ze het leven van
Piaf op voorhand bestudeerd hebben, maar zoiets kan je gewoon niet
van je publiek eisen. De korte ‘grepen uit haar leven’ duren nooit
erg lang voordat er alweer wordt overgesprongen naar een andere
flard, een gesprek, een optreden, een ontmoeting. De strategie van
de regisseur mag dan hip bedoeld zijn, het bevordert de coherentie
allesbehalve. De gebeurtenissen staan los op zichzelf, elk gevoel
van context ontbreekt. Sommige personages krijgen nauwelijks een
introductie. Achteraf las ik dat Piaf drie lange relaties in haar
leven heeft gehad, maar aan de hand van de film heb ik maar met
moeite kunnen reconstrueren wélke mannen dat nu juist waren. Daar
moet je inderdaad al vreemde toeren voor uithalen.

Er zitten cruciale gaten in het verhaal. Piaf valt flauw tijdens
één van haar shows, maar omdat het scenario zo versnipperd is, weet
je niet of het uit verdriet is om haar grand amour of
gewoon omdat ze ziek en oververmoeid was. Marcel, haar imposante
bokser, valt als personage ietwat plomp uit de hemel, maar die
periode uit haar leven levert wel het mooiste stukje cinema op in
een fijn jaren ’40 sfeertje. Het hart van de film is een scène
waarin ze in een wolk van geluk zit te wachten op haar grote
liefde, die vanuit New York naar haar komt gevlogen. Tot ze het
tragische nieuws van zijn vliegtuigongeval verneemt, hysterisch
haar verdriet van zich afschreeuwt en uiteindelijk recht het podium
op loopt en begint te zingen. Allemaal in één sequens, zonder
geknip (zie je wel dat hij het kan!). Een mooi kortfilmpje tussen
al het gewoel in. Maar doorgaans maakt Dahan verkeerde keuzes. Zo
wijdt hij meer dan een half uur aan haar kindertijd. Die is
inderdaad fundamenteel om haar persoonlijkheid te schetsen, maar
met een enkele flashback en misschien een korte voice-over (voor
één keer had ik het kunnen verdragen) was het voldoende duidelijk
geweest dat ze het niet gemakkelijk heeft gehad. Daham moest per sé
ook vertellen dat ze een tijdje blind is geweest als kind en dat ze
door een prostituée werd opgevoed. Allemaal goed en wel, maar wat
met haar liedjes, haar populariteit, waar komt die passie in haar
stem vandaan? Is dat niet veel belangrijker? Ik zeg niet dat een
chronologische vertelling dé juiste keuze was geweest, maar als je
vlak voor het einde van je film vermeldt dat ze by the way
ook nog een kind heeft gehad dat op tweejarige leeftijd stierf, dan
weet je toch gewoon dat je fout bezig bent. Een duidelijkere
structuur had minder energie van de kijker gevergd en als beloning
meer emotionele betrokkenheid opgeleverd.

Edith Piaf is een straffe madam, die een betere film verdient.
Al is het maar omdat zij ons met één trillende noot uit haar
vuurrode mond in een nostalgische vod kan doen veranderen. Bij het
horen van ‘La Vie en Rose’ of ‘Je ne regrette rien’ komt het
geneurie van zeer diep in ons naar boven en kelen we als op
automatische piloot dat halve zinnetje dat we dan kennen (het
refrein) overenthousiast, desnoods mét handgebaren en een
struisvogeldansje, mee. Maar wie hier, ongeacht of de film een
meesterwerk is of niet, sowieso op zal kicken, is la
France
. Voor de begrafenis van Piaf in 1963 daalden
honderdduizend mensen af naar Parijs, ditmaal kunnen ze haar in de
cinema een laatste groet brengen. Chauvinistisch Frankrijk zal het
moeilijk hebben om een slecht woord te verzinnen over deze filmode
aan zijn volksheldin én ook de critici zullen liever met hun
driekleur wapperen, dan het schaamrood op de wangen toe te
geven.

Waar ze wél terecht trots op mogen zijn, is Marion Cottilard.
Het liedje ‘La Vie en Rose’ moet in haar hoofd zijn blijven spoken
tijdens de opnames van ‘Jeux d’enfants’, waarvan de soundtrack
haast enkel uit deze song bestaat. (Het is inderdaad een deuntje
dat zelf met een brainwash à la ‘Clockwork Orange’ er nog niet uit
geraakt. Vreemd genoeg is er in de film geen podiumscène aan
gewijd.) Marion heeft bij deze aartsmoeilijke rol echt het onderste
uit haar kannetje gehaald. Ze brengt Piaf terug tot leven met een
staaltje perfecte method acting: haar tanden licht
vooruitgestoken, die onschuldige, nieuwsgierige blik, eigenaardige
lichaamshouding, lange zwierige armen, grof taalgebruik, ondeugende
humor, ze doet het allemaal. En dat kan geen lachtertje geweest
zijn: vooral de playbacks moeten een nachtmerrie geweest zijn, maar
Marion volbrengt deze zeer technische, bijna chirurgische taak, met
glans. Met deze film(keuze) heeft ze definitief haar plaatsje
verdiend naast jonge ‘goddelijke’ Françaises van het moment als
Audrey Tautou en Cécile de France. Mijn twee sterren gaan volledig
naar haar, ze bezielt Piaf echt van het frêle Ciska de
ratje
tot het decibelkanon op het podium.

‘La Môme’ kent pakkende muziekstukken en een mooie beeldvoering,
maar het is lang geleden dat ik nog zo’n schoolvoorbeeld zag van
“hoe verpest ik het best mijn film met een rotslecht scenario?”.
Deze hymne à la môme is met zijn twee uur en twintig
minuten erg vermoeiend, met ‘context’ als de grote afwezige. Een
teleurstelling, maar het goede nieuws is dat de soundtrack alvast
uitverkocht is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf + twintig =