Bringing Out the Dead

Zelden zoveel gelijkaardige recensies gelezen als toen ‘Bringing
Out the Dead’ uitkwam in 1999. Iedereen leek het erover eens te
zijn dat ze blij waren dat Martin Scorsese terug was gekeerd naar
de straten van New York na zijn uitstapje in Tibet met ‘Kundun’, en
dat het resultaat een zeer degelijke film was. Maar toch ook geen
meesterwerk. Geen Scorsese grand cru. De regisseur moest
dan ook behoorlijk opboksen tegen zijn eigen reputatie en verleden.
‘Bringing Out the Dead’ was zijn vierde samenwerking met scenarist
Paul Schrader, die een aantal van zijn beste films had gepend:
‘Taxi Driver’,
‘Raging Bull’ en
‘The Last Temptation
of Christ’
. De verwachtingen waren, om het zacht uit te
drukken, hooggespannen.

Nicolas Cage speelt Frank Pierce, een ambulancier met
nachtdienst in New York die op het randje van een inzinking staat.
Hij heeft al maanden niemands leven meer kunnen redden en zijn
gedachten blijven compulsief terugkeren naar een achttienjarig
meisje dat een tijdje geleden in zijn armen stierf. Sindsdien,
vertelt hij op de voice-over, heeft hij het gevoel gekregen dat het
niet zozeer zijn taak is om levens te redden, maar enkel om getuige
te zijn van de dood. Hij eet niet en slaapt nauwelijks, maar
overleeft op pillen en drank die zijn nachtelijke ritjes door de
ergste wijken van New York steeds surrealistischer en
nachtmerrieachtiger maken. We volgen Frank drie dagen lang – de
eerste nacht rijdt hij samen met Larry (John Goodman), een tamelijk
sympathieke figuur die zich weet te redden door vooral niet teveel
na te denken over zijn job. De tweede nacht deelt hij zijn
ambulance met Marcus (Ving Rhames), die bij elke interventie een
halve gospelmis opzegt, en tijdens de derde nacht moet hij
samenwerken met Tom (Tom Sizemore), die er op een half
psychopathische manier tegenaan gaat. Een constante doorheen deze
drie helse nachten is Mary (Patricia Arquette), een vrouw wiens
vader met zware hartproblemen door Frank wordt afgevoerd en daarna
vrijwel continu in de wachtkamer van het ziekenhuis zit.

Scorsese en Schrader maakten van Frank Pierce een zoveelste
personage in hun galerij aan eenzaten die naar de buitenwereld
kijken met een gevoel van walging en wanhoop. Zowel hij als zijn
voorganger Travis Bickle uit ‘Taxi Driver’ rijden door
de New Yorkse nachten en staan vrijwel geheel buiten de
samenleving, observeerders die niet houden van wat ze zien. In het
geval van Travis Bickle leidde die walging tot haat en geweld;
Frank daarentegen omschrijft zichzelf als a grief-mop, een
dweil die miserie absorbeert en klaarblijkelijk vervolgens probeert
te verzuipen met alcohol en pillen. Frank walgt evenzeer van het
New York dat hij ziet, met geflipte junkies, stinkende zwervers en
vooral veel mensen die nodeloos het graf inrollen, maar zijn
walging vertaalt zich in een intense wens om al die mensen te
redden. Hij wil niet zomaar, zoals Travis, “het vuil van de straten
spoelen”, maar voelt medelijden met al die figuren, komt tot de
vaststelling dat hij hen niet kan helpen en hij raakt al die
emoties nergens kwijt. Er zijn maar weinig dingen zo frustrerend
als de wens om iets goeds te doen, en er niet in te slagen. Frank
stevent af op een lichamelijke en vooral spirituele instorting.

Het zou geen Schrader-scenario zijn als daar ook niet heel wat
christelijke symboliek bij kwam kijken. De film speelt zich af over
een periode van drie dagen, wat echo’s oproept van de periode
tussen de dood en herrijzenis van Jezus Christus. De wens om de
doden terug tot leven te wekken, uitgedrukt tijdens een
droomsequens, heeft ook iets messias-achtigs, er is een scène
waarin een vrouw moet bevallen van een tweeling hoewel ze nog maagd
beweert te zijn, en dan is er natuurlijk nog Mary, die misschien de
sleutel tot Franks verlossing met zich meedraagt. Frank is iemand
die graag een verlosser wil zijn, maar die continu faalt in zijn
pogingen om dat te worden – misschien is het wel juist de persoon
die het meest een heiland wil zijn, die het meest in nood is van
verlossing.

Dat zijn allemaal boeiende ideeën, en Scorsese weet die
gedachten soms magnifiek in scène te zetten. Geholpen door een
schitterende fotografie van Robert Richardson, met sterk
gestileerde overhead belichting (de personages lijken
haast te gloeien met hun eigen innerlijk licht), weet de regisseur
een hyperactieve visuele stijl mee te geven aan ‘Bringing Out the
Dead’, met slow motion, fast motion, shots waarin de
camera zijdelings en ondersteboven wordt gehouden en zelfs scènes
die achterstevoren gedraaid zijn, zodat in één sequens de sneeuw op
lijkt te stijgen in plaats van neer te vallen. Het technisch
meesterschap van de filmmaker hoeft nergens ter discussie te
staan.

Zijn acteurs doen het ook niet slecht: Nicolas Cage loopt hier
rond als een bleek, uitgemergeld levend lijk van een vent, zijn
ogen roodomrand, alsof hij elk moment van pure uitputting kan
neerzijgen. Als er ooit iemand een klein beetje geestesrust nodig
had, is hij het wel. Cage speelt hem als een verre neef van de
zatlap die hij neerzette in ‘Leaving Las Vegas’ en laat zijn
gebruikelijke tics daarbij grotendeels achterwege. In de bijrollen
is enkel Patricie Arquette enigszins teleurstellend als Mary; het
is niet zozeer dat ze echt iets verkeerd doet, maar wel dat ze
nergens echt memorabel weet te worden. In een film als deze mag een
acteur je echt niet onverschillig laten. John Goodman verdient in
ieder geval een speciale vermelding; de simpele menselijkheid
(zowel in positieve als negatieve zin) die hij naar zijn rol brengt
is fenomenaal.

Allemaal goed en wel, maar er blijven verrassend veel losse
draadjes in de film zitten. De aanwezigheid van een fatale soort
drugs in de plot wordt tijdens het eerste half uur opgebouwd alsof
het iets belangrijks te betekenen zal hebben, maar blijkt
uiteindelijk een doodlopend straatje te zijn. En ook bepaalde
nevenpersonages, zoals de junkie Noel, worden nooit zo goed benut
als had gekund. Tom Sizemore’s gesjeesde ambulancechauffeur krijgt
dan weer net iets te weinig achtergrond om echt geloofwaardig te
worden. En ik had ook problemen met de tempovertragingen aan het
einde. Waar de prent een extra stoot gas nodig had om tot aan de
finish te racen, bouwt Scorsese het ritme juist af om met een
ernstige vertraging te eindigen. Het gevolg is dat de film toch een
kwartier te lang aanvoelt.

Dus nee, een Scorsese grand cru is het niet. Daarvoor
zitten er teveel foutjes in. Veelgelaagde, goed gemaakte en
uitdagende cinema daarentegen is ‘Bringing Out the Dead’ wél; een
weeklacht van een film over een man die wil helpen en simpelweg
niet màg.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × 4 =