After Hours

Een dik half uur na het begin van ‘After Hours’ zit een scène
waarin het hoofdpersonage, Paul Hackett (Griffin Dunne), in een
café naar het toilet gaat, en naast een spiegel tegen de muur een
tekening ziet van een man die in z’n penis gebeten wordt door een
haai. Paul kijkt lang en hard naar die tekening, een angstige blik
in z’n gezicht. Nu beschouw ik mezelf niet als een symbolenjager,
maar je moet al erg je best doen om niet in te zien hoe iconisch
dat éne moment is voor de film. ‘After Hours’ is één van Martin
Scorsese’s meest kleinschalige projecten, gemaakt met een kleine
ploeg en een relatief beperkte cast op een bescheiden budget. Maar
de thema’s waar de regisseur eerder al door gefascineerd was,
duiken hier wél zeer duidelijk op – ‘After Hours’ is het
nachtmerrieachtige avontuur van een mal-baisé, een man die
simpelweg al veel te lang niet meer van bil is geweest en levend
opgevreten wordt door zijn eigen frustraties, angst en paranoia.
Mentale haaien die hem de hele film lang regelrecht in z’n pik
bijten.

Paul is een word processor (midden jaren tachtig was
dat nog een volwaardig beroep) in New York. Op een avond raakt hij
aan de praat met Marcy (Roseanna Arquette), een aantrekkelijke
blondine die hem uitnodigt op haar flat in de artiestenwijk Soho.
Paul, die er uitziet als iemand die al veel te lang niet meer heeft
kunnen flirten met een mooi meisje, gaat naar haar toe, maar dat
wordt het begin van een lange nacht vol tegenslagen die steeds
surrealistischer en catastrofaler worden. In de taxi naar Soho
vliegt zijn geld uit het raampje weg, daarna maakt hij zichzelf
wijs dat Marcy vol brandwonden staat, hij wil naar huis gaan maar
heeft niet genoeg geld voor de metro, hij gaat terug naar Marcy om
te ontdekken dat die zelfmoord heeft gepleegd en uiteindelijk wordt
hij zelfs aanzien voor de inbreker die de buurt al wekenlang
onveilig maakt.

‘After Hours’ is het verhaal van een eindeloos sneeuwbaleffect:
een man heeft een afspraakje met een meisje, maar er overkomen hem
steeds ergere dingen, tot zijn enige wens nog is om levend en wel
thuis te raken. En misschien lukt zelfs dat niet. Paul doet zelf in
feite bijzonder weinig: dingen overkomen hem, en we zien zijn
gezicht steeds ongeloviger worden naarmate de rampen zich
opstapelen. Wat hij ook doet, hij maakt het alleen maar erger.

Scorsese had dit soort personage al eerder opgevoerd, hoewel er
ditmaal een komische draai aan wordt gegeven. Paul is immers in de
eerste plaats iemand die erg angstig tegenover z’n eigen
seksualiteit staat én die zich vaak masochistisch gedraagt. Wanneer
Marcy interesse in hem toont, kan Paul niet geloven dat zo’n mooie
vrouw hem ooit zou kunnen willen, dus begint hij zichzelf
onmiddellijk wijs te maken dat er wel iets mis met haar zal zijn.
Hij overtuigt zichzelf dat Marcy brandwonden heeft, en wanneer hij
een glimp opvangt van haar dij, meent hij zelfs littekens te zien.
Achteraf wordt duidelijk dat dat enkel zijn verbeelding was. Paul,
gespeeld met een hypernerveuze intensiteit door Griffin Dunne
(wellicht de beste rol die de man ooit heeft gehad), heeft de
gedachte in z’n kop gestoken dat alles wat hem in het leven
overkomt op de één of andere manier wel zijn schuld zal zijn, en
als gevolg daarvan gaat hij verschrikkelijk verkrampt door het
leven. Het ironische is dan dat er in de loop van die lange nacht
verschillende vrouwen (en zelfs een man) zich zo goed als aanbieden
– Marcy, maar ook Julie (Teri Garr), een serveerster, en Gail
(Catherine O’Hara), de leidster van een buurtwacht tegen de
mysterieuze inbreker. Maar natuurlijk kan Paul die mogelijkheden op
geen enkele manier benutten. Op een bepaald moment vraagt hij aan
een vriendelijke barman (John Heard), of hij misschien geen
afrodisiacum voor hem heeft – “je serveerster ziet me blijkbaar
nogal zitten”. Wat Paul nodig heeft, is geen fysiek, maar een
mentaal afrodisiacum, want het is gewoon door zijn eigen seksuele
paranoia dat hij zoveel problemen heeft met vrouwen. Door de
mentale haai die constant in z’n ballen zit te bijten.

Niet dat zijn paranoia helemaal ten onrechte is – Paul is
ondanks al z’n problemen wel een sympathiek personage dat gewoon
naar huis wil raken, maar continu te maken krijgt met mensen die óf
van slechte wil zijn, óf gewoon niet beter weten. Een bediende in
de metro weigert hem op de trein te laten omdat hij niet genoeg
geld bij zich heeft, hoewel het het midden van de nacht is en
niemand dat hoeft te weten. In een nachtclub wordt hij bijna
manu militari voorzien van een hanenkam, en dan is er
natuurlijk nog de buurtwacht die unaniem besloten heeft dat hij een
inbreker is en gelyncht moet worden. De vrouwen die Paul ontmoet
zijn overigens ook allemaal behoorlijk beschadigd, met Teri Garr
als een hysterische serveerster wiens huis schijnbaar vol muizen
zit en die verzot is op The Monkees.

Blijft er de vraag in welke mate we dat allemaal moeten geloven.
De hele film wordt gezien vanuit het standpunt van Paul, wat zeer
duidelijk wordt tijdens de scènes bij Marcy. Hij denkt dat zij
brandwonden heeft, heel even zien we die ook, maar daarna wordt
duidelijk dat dat enkel zijn verbeelding was. Dit is geen
betrouwbare verteller, dus in welke mate werkt iedereen hem
inderdaad tegen en in welke mate zien we enkel zijn eigen paranoia
aan het werk? Wat wél zeker is, is dat Paul de hele nacht lang
wordt geconfronteerd met seks: Marcy, haar kamergenoot Kiki (Linda
Fiorentino), een schaarsgeklede kunstenares die wel in is voor wat
SM, Julie, Gail, een homoseksuele man enzovoort. En vanuit zijn
verkrampte emoties van masochistische mal-baisé duikelt
hij regelrecht een surreële nachtmerrie in.

Voor Scorsese ontstond deze film vanuit zijn eigen frustraties
in de filmwereld: zijn eerste pogingen om ‘The Last Temptation of
Christ’
te verfilmen waren mislukt en hij voelde zich inderdaad
een beetje als Paul: iemand die steeds maar probeert om goed te
doen en continu faalt. En verder speelt de film ook in op de
vibe die er bestond rond New York in het midden van de
jaren tachtig: een paranoïde plek, gedreven door yuppie
hebzucht, criminaliteit en coke. De reputatie van New York als een
onveilige stad stamt grotendeels af uit de jaren zeventig en
tachtig, toen de melting pot dreigde over te koken.

Al die ideeën, fascinerend als ze zijn, worden vormgegeven in
een erg grappige film, die visueel zeer vernuftig in elkaar zit.
Alles speelt zich ‘s nachts af, maar Michael Ballhaus weet met de
nuances van zwart en blauw te spelen om uit die duisternis een
perfecte paranoïde sfeer te halen. Scorsese beweegt zijn camera
constant, met enorm veel travellings en steadicamshots. Waarom?
Omdat Pauls gedachten continu blijven malen en draaien. Dit is een
personage dat geen seconde rust kent, dus kent de camera dat ook
niet.

Voor sommige mensen zal ‘After Hours’ wellicht te donker of
deprimerend zijn om echt grappig te zijn, maar de ideeën erachter
zijn nog steeds erg pertinent als statement over het opgefokte
stadsleven, de acteerprestaties zijn uitstekend en de
cinematografie is eersteklas. Dit is een kleine, maar niettemin
vintage Scorsese.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 + vijf =