GoldenEye

‘Licence To
Kill’
was een dusdanige financiële teleurstelling (één van de
weinigen in de Bondreeks), dat het zes jaar duurde voordat 007 nog
eens op missie kon trekken. De serieuzere, hardere Bond van Dalton
bleek het hem toch niet te doen voor het grote publiek (ongeacht de
eigenlijke kwaliteiten van die films) en ondertussen zaten de
makers met nog andere grote problemen: Cubby Broccoli, producent en
grote bezieler van de serie, had te kampen met zware
gezondheidsproblemen (hij stierf in 1996), én ondertussen werd het
politieke en sociale klimaat er niet beter op voor de
franchise. De koude oorlog was afgelopen en de
anachronistische blik op vrouwen die de reeks zelfs in de jaren
tachtig nog kenmerkte (Maryam D’Abo in ‘The Living Daylights’
was nu bepaald geen toonbeeld van emancipatie), leek een
struikelblok waar geen weg rond bestond. James Bond was een held
die in principe al die dingen deed die niet meer konden volgens de
maatschappij van de jaren negentig, hij rookte zonder zelfs maar
eens te kuchen, dronk zonder zat te worden, en beklom elke vrouw
die hij zag (en hoewel ze dat nooit toonden, betwijfel ik of daar
veel condooms aan te pas kwamen). Daarenboven was zijn voornaamste
drijfveer – de wereld veilig houden tegen boze machten uit het
oostblok – nu weggevallen.

De grootste prestatie van ‘GoldenEye’ is dan ook dat regisseur
Martin Campbell erin geslaagd is om de serie een deftige
reboot te geven, waarin hij mooi het midden wist te houden
tussen het teruggrijpen naar de conventies en het updaten
van de waarden van de reeks. Niet dat Campbell voor het overige
zoveel memorabels geproduceerd heeft – nog iemand ‘Vertical Limit’?
‘Legend of Zorro’ misschien? – maar goed, de Bondreeks heeft hij
dan toch maar mooi z’n derde of vierde adem bezorgd. Na ‘GoldenEye’
vroeg niemand zich nog af of Bondfilms wel een plaats hadden in de
jaren negentig.

Het verhaal draait rond corrupt Russisch generaal Ourumov
(Gottfried John), die samen met de nymfomane moordenares Xenia
Onatopp (Famke Janssen, kinky as hell) de GoldenEye steelt
van zijn eigen regering: een hoogtechnologisch gadget dat via
satelliet alle elektronische toestellen in een bepaald gebied kan
platleggen. Bond bemoeit zich met de zaak, samen met
computerspecialiste Natalia Simonovna (Izabella Scorupco), die de
diefstal van de GoldenEye wist te overleven. Zo ontdekken ze dat er
(uiteraard) nog iemand anders achter Ourumov staat.

Campbell heeft hier een goede keuze gemaakt tussen de
traditionele elementen die de moeite waren om te behouden, en
degenen die aangepast moesten worden aan de tijdsgeest. Bond is nog
altijd een onkreukbare held (in navolging van Sean Connery en Roger
Moore), die tijdens één actiescène met een tank half St.-Petersburg
omver rijdt, en tussendoor even checkt of zijn das nog wel recht
zit. Hij sjeest met z’n wagen door haarspeldbochten, vuurt
one-liners af, speelt baccarat en drinkt z’n wodka martini
shaken, not stirred. Dat ligt allemaal nog in de lijn van
de verwachtingen. Maar anderzijds zie je wel dat de vrouwenrollen
duidelijk sterker zijn geworden: Izabella Scorupco speelt geen
gillend, hulpeloos meisje in nood, maar helpt Bond actief in zijn
zaak. M is natuurlijk een vrouw geworden, gespeeld door de
onnavolgbare Judi Dench, en zegt aan het begin van de film precies
wat de meest sceptische publieksleden dachten bij het verschijnen
van ‘GoldenEye’: “Je bent een seksistisch, vrouwonvriendelijk
varken. Een relikwie uit de koude oorlog.” Right on. En
dan is er natuurlijk nog Famke Janssen, die verreweg de geilste
Bondslechterik ooit speelt. La Janssen kreunt van orgastisch
genoegen telkens wanneer ze iemand van kant maakt, en doet dat nog
het liefst door haar slachtoffer tussen haar welgevormde dijen te
kraken. Er zijn slechtere manieren om te gaan.

Verder wordt de moderne tijd uiteraard erkend door in de plot
zoveel mogelijk gebruk te maken van computers en de toen nog zeer
geavanceerde notie van het internet. Die knieval voor high
technology
is tien jaar later natuurlijk al lang achterhaald,
maar goed, ze levert wel een verhaal op dat zich tussen de betere
van de reeks mag plaatsen. Natuurlijk is het allemaal onzin, maar
dan wel op zo’n manier gebracht dat je het net nog kunt aanvaarden
binnen de context van de reeks.

Pierce Brosnan mag hier voor het eerst het pak van Bond aan, en
vult dat verrassend goed. In z’n mengeling van koud
professionalisme en toch zwierige savoir-faire, ligt hij
wellicht dichter tegen Sean Connery aan dan eender welke van z’n
voorgangers. Hij straalt zelfvertrouwen uit in de rol, wat de
meeste Bonds pas in hun tweede film gegeven was. Wat daarentegen
wél wat geforceerd overkomt, zijn de pogingen om Bond – hou u vast
– enige diepgang mee te geven, door de te refereren naar
de dood van zijn ouders bij een ongeluk, en via dialogen als
“Hebben al de wodka-martini’s het geschreeuw van je doden kunnen
stillen?” Dat soort scènes zijn op zich al veel te hoogdravend voor
wat een Bondfilm uiteindelijk maar is, en Brosnan weet er zich ook
niet echt goed blijf mee.

Blijven er nog goed gechoreograafde actiescènes – een autorace
aan het begin van de film tussen Bond en Onatopp is er een beetje
aan de haren bijgesleurd, maar voor het overige krijgen we zeer
fatsoenlijke knokpartijen en achtervolgingen. Bonds laatste
confrontatie met Onatopp heeft zelfs het potentieel om een
klassieker te worden – maar dat kan natuurlijk ook met onze
fascinatie voor Famke Janssens extatische keelgeluiden te maken
hebben.

‘GoldenEye’ was in ieder geval een geslaagde overgangsfilm, die
een aantal transformaties tegelijk moest presteren: een nieuwe Bond
introduceren, een nieuwe mentaliteit, een nieuwe setting na het
vallen van de Berlijnse muur. En dat allemaal terwijl het toch
herkenbaar een Bondfilm bleef. Hoewel hij eigenlijk een
flutregisseur is, gaat voor deze éne keer dan toch het petje af
voor Martin Campbell.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien − twee =