Casino Royale

Niet dat ik er een gewoonte van wil maken medelijden te hebben
met een man wiens lichaam eruit ziet alsof hij cement door z’n
aderen heeft lopen, maar met nieuwe James Bond Daniel Craig was dat
bijna het geval. De brave man had nog geen dag voor de camera’s
gestaan of internettrolls overal ter wereld waren al luidop aan het
verkondigen dat ze hem massaal zouden boycotten. Een Bond met blond
haar en blauwe ogen, ben je gek? De pers sprong op het verhaal en
ongeveer vijftigduizend paparazzifoto’s later (“zie James Blond in
actie!”) moesten ze collectief hun woorden inslikken. Daniel Craig
is wel degelijk een goeie Bond. Een héle goeie. En de film is
zonder meer de beste in de reeks sinds ‘GoldenEye’, allicht
niet toevallig geregisseerd door dezelfde man, Martin Campbell. In
m’n bespreking van ‘GoldenEye’ noemde ik Campbell nog een
flutregisseur. Met credits als ‘Vertical Limit’ blijf ik er bij dat
daar veel voor te zeggen valt, maar ondertussen is het wel al de
tweede keer dat hij de Bond-franchise uit de miserie
redt.

Zoals wel vaker wanneer een nieuwe acteur de rol van Bond
overneemt, ondernemen de makers een poging om een frisse start aan
de reeks te geven. Doorgaans, zoals bij ‘The Living Daylights’
en ‘GoldenEye’,
betekent dat dan dat het verhaal voor een keertje meer realistisch
wordt gehouden (nuja, wat dan voor realistisch moet doorgaan) en
dat de actie een tikkeltje grimmiger wordt gemaakt. Veel meer komt
er doorgaans niet bij kijken, maar dat is meestal wel genoeg om een
degelijke Bondfilm af te leveren. Ditmaal echter, wordt die frisse
start verder gedreven: we krijgen, een beetje in navolging van
‘Batman Begins’,
het origineverhaal van 007 te zien. Hoe James Bond evolueerde van
weinig verfijnde ass-kicker in dienst van de regering,
naar 00-agent met vrijheid om te doden. Deze Bond heeft nauwelijks
iets te maken met de upper-class mentaliteit van pakweg
Roger Moore: hij is een vechtersbaas die zijn eigen emoties en
rechtvaardigheidsgevoel volgt, waarbij hij alle regels aan zijn
laars lapt – hij breekt in bij M thuis, steelt haar paswoord en ga
zo maar door. Aan de ingang van een chique hotel wordt hij aanzien
voor een parkeerwachter – zo verfijnd is hij.

En dat is dus iets dat we nog niét hadden gezien. Variaties op
de verhaallijnen en op de formule, ja, maar nog nooit een sterk
afwijkende variatie op het personage zelf. James Bond is tijdens de
voorbije veertig jaar van tijd tot tijd een hardere held geworden
en dan weer wat zachter, soms wat realistischer en soms wat
komischer, maar hij is nog nooit volledig heruitgevonden als het
veredeld straattuig dat we hier te zien krijgen. Over de loop van
het verhaal zien we Craig James Bond worden: hij ontdekt dat hij
goed staat in een smoking, leert wodka-martini’s drinken en ziet in
dat het soms loont om eerst vragen te stellen en dàn pas te
schieten.

Het gevolg is dat Bond een complexer personage wordt dan we tot
nu toe hadden kunnen vermoeden: dit is iemand die, in navolging van
de boeken van Ian Fleming, zijn job eigenlijk niet graag doet en
ervan gruwt om mensen te vermoorden. Iemand die zichzelf ertoe
verplicht om koel, afstandelijk te zijn omdat hij anders emotioneel
aan z’n werk onderdoor zou gaan. Een moment aan het einde van de
film, waarin Bond zichzelf eindelijk identificeert met de
onsterfelijke woorden “Bond… James Bond”, lijkt dan ook eerder
tragisch dan wat anders: hij heeft de beslissing gemaakt om een
leven te leiden waarin hij nooit iemand kan vertrouwen, laat staan
van iemand kan houden.

Als onderdeel van die hardere aanpak is ook het geweld
toegenomen. Een vroege actiescène doet nog denken aan de Bondfilms
van weleer, met acrobatieën op twee metershoge kranen, maar
naarmate de film vordert, wordt ook de sfeer van de actie
onplezieriger. Op een bepaald moment zien we Bond letterlijk ónder
het bloed van twee van zijn slachtoffers zitten – hij moet een
douche nemen voordat hij zich weer onder de mensen kan vertonen. En
dat is dan nog voor de martelscène, waarin James zowaar zijn kleine
Bondjes dreigt kwijt te spelen.

Yup, er is véél nieuws te bewonderen in ‘Casino
Royale’, en voor het overgrote deel zorgt dat voor een erg frisse,
opwindende film, die het stof op indrukwekkende manier van de
formule blaast. Voor het eerst in jaren kun je naar een Bondfilm
kijken zonder jezelf continu bewust te zijn van de conventies van
een reeks die al decennialang loopt. De actie is hard, down and
dirty
en relatief geloofwaardig – Bond loopt rond met
littekens en pijnlijk uitziende blauwe plekken, en belandt na één
hardhandig treffen met de slechterik van dienst zelfs een tijdje in
het ziekenhuis. Oké, hier en daar gaan de makers toch weer over de
top (Bond die zichzelf bewerkt met een handig in zijn wagen
geplaatste defibrillator om een hartstilstand te voorkomen is nu
niet écht wat je noemt “uit het leven gegrepen”), maar die momenten
zijn tamelijk zeldzaam. Bovendien kiest Martin Campbell ervoor om
zijn film niet te overladen met actie. De eerste drie kwartier zijn
wall-to-wall action, maar daarna neemt hij zowaar gas
terug voor een lange casino-sequens en een verrassend bondige (maar
geheel bevredigende) finale. In een Bondfilm is dat durven.

Sommige dingen veranderen echter nooit, en net als altijd is ook
hier het verhaal weer de achilleshiel van de hele film. ‘Casino
Royale’ heeft een nogal overgecompliceerde plot waarin Bond het
opneemt tegen Le Chiffre (Mads Mikkelsen), bankier voor terroristen
en ander tuig, die de eigenaardige gewoonte heeft bloed te huilen.
Wanneer Le Chiffre door toedoen van Bond een pak geld verliest van
mannen die daar niet mee kunnen lachen, doet hij mee aan het
“casino royale”, een pokergame met een inzet van meer dan 100
miljoen. Bond neemt het tegen hem op, geholpen door agente Vesper
Lynd (Eva Green). En dat is eigenlijk nog maar het begin van een
verhaal dat nét iets teveel wendingen bevat voor z’n eigen goed.
‘Casino Royale’ is soms een verwarrende film, met een bruusk einde
dat heel wat kijkers met vragen dreigt achter te laten. Erg subtiel
opgebouwd is dat scenario overigens niet: de nadruk die er op Bond
wordt gelegd, gaat immers vaak ten koste van de andere personages,
die grotendeels schetsmatig blijven: Eva Green heeft een sterke rol
als Bondgirl, maar Mads Mikkelsens Le Chiffre komt maar sporadisch
tot leven en Jeffrey Wright als CIA-agent Felix Leiter wordt
helemaal verwaarloosd (ik geloof zelfs niet dat ze hem ooit bij die
naam noemden).

Maar goed, eigenlijk is dat dan weer zeuren, want ‘Casino
Royale’ is in de eerste plaats de meest opwindende Bondfilm in
jaren, met een schitterende hoofdacteur, die de menselijkheid en
kwetsbaarheid van het personage tot leven weet te wekken in
combinatie met de geharde lichamelijkheid ervan. De reeks kan er
weer tegen voor een paar jaar.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien + zestien =