M. Ward :: Post-War

Muziek roept vaak geografische associaties op. Mochten we een
gratis uitstapje naar de VS mogen maken om er een genre in zijn
natuurlijke habitat te zien en horen, zouden we niet opteren voor
de techno in Detroit, de punkfunk in New York of de gangstarap aan
welke coast dan ook. Onze naar authenticiteit en melancholie
hunkerende ziel zou zonder twijfelen in Staten als Arizona en Texas
willen verblijven om er de soundtrack van het dorre
woestijnlandschap in onze zanderige poriën te laten branden,
namelijk americana waar een hyena flink zijn tanden in heeft gezet.
In ons witgeverfd huisje zou ons voorportaal bevolkt worden door
Howe Gelb, Calexico (best op een
andere dag dan Howe Gelb, kenners weten waarom), Cat Power en zeker ook M. Ward.

Ondanks zijn relatieve onbekendheid heeft Matt Ward er al een hele
carrière op zitten en met het mooie Transistor Radio maakte ook het Europese
publiek in grotere getale kennis met deze getalenteerde
singer-songwriter. Countryliefhebbers konden zich warmen aan zijn
eerlijke songs, die evengoed 50 jaar geleden uit een oud radiootje
hadden kunnen schallen en waarbij uw opa goedkeurend zou zitten
knikken in zijn schommelstoel. Op de opvolger ‘Post-War’ combineert
M. Ward deze nostalgische, aan ‘O Brother, Where Art Thou’
refererende sound met een groter bewustzijn over het kwade in de
wereld. De Ku Klux Klan is immers overal, alleen heeft niet altijd
iedereen een wit laken over hun kop. Bovendien is de muziek er
alleen maar toegankelijker geworden zonder commerciële toegevingen
te doen, waardoor een definitieve doorbraak zeker binnen de
mogelijkheden ligt. Na het beluisteren van ‘Post-War’ gun je het de
man van harte!

Toch is ‘Post-War’ geen foutloos magnum opus geworden. De
plaat lijdt echter aan een euvel dat bijna geen euvel kan genoemd
worden: net als Blood Mountain
van Mastodon is de eerste plaathelft zo overweldigend goed dat je
er de iets mindere tweede meer dan graag bij neemt. Opener ‘Poison
Cup’ is een miniatuurtje dat je als een klein hekken opent om
binnen te treden in de wereld van M. Ward. Wat je ziet zijn geen
rodeofeesten waar de Budweiser rijkelijk vloeit, maar oprechte
emoties die aanvoelen als een deken op je schoot. Keyboards nemen
strijkers bij de hand en Ward croont haperend over de gifbeker der
liefde: “A sip or a spoonful won’t do / No, I want it all”.
Voor je naar adem kan happen, is de prachtige Daniel Johnston-cover
‘To Go Home’ al uit de verroeste startblokken geschoten. Het nummer
is gezegend met een rode klaproos van een refrein, dat extra bloeit
door de stem van Neko Case (van
The New Pornographers). Het bloedmooie triumviraat wordt
vervolledigd door ‘Right in the Head’, een nummer als een
gescheurde, maar perfect passende jeans: rafelig, maar je zou niet
zonder kunnen.

De volgende drie songs daalt het niveau geenszins en ‘Chinese
Translation’ is zelfs een echte uitschieter. De twijfelende ziel
van Ward spuwt zijn vragen over de liefde uit, goed wetende dat ze
retorisch van aard zijn: “I said what do you do with the pieces
of a broken heart? / And how can a man like me remain in the
light?”
. De volgende zes songs zijn echter als een boek van
Herman Brusselmans: zeker niet slecht, maar je blijft toch
gedeeltelijk op je honger zitten. ‘Magic Trick’ is aanstekelijk,
maar weinig meer dan dat en de instrumental ‘Neptune’s Net’ was een
mooi b-kantje geweest. Enkel afsluiter ‘Afterword/Rag’ kan nog
overtuigen.

Zoals gezegd is de wat mindere tweede plaathelft echter geen man
overboord. Deze nummers voelen immers aan als een zacht briesje na
zes songs pure countryblues-pracht die je zelfs nog zou raken met
een dikke laag sunblock op je lijf. M. Ward zet met ‘Post-War’ zijn
winning streak verder en klimt op naar een prominente plaats
in het hedendaagse americana-landschap.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × 3 =