World Trade Center




Naar aanleiding van de release van de eerste twee bioscoopfilms
over 9/11 – ‘United 93’ en deze
‘World Trade Center’ – heb ik in heel wat publicaties opmerkingen
gelezen over hoe “het nog lang geduurd heeft”. Vijf jaar nadat een
handvol radicalen een nieuw hoofdstuk in onze recente geschiedenis
begon te schrijven, waren de Amerikanen eindelijk klaar om dat
voorval te “mediatiseren”, klinkt het dan. Terwijl dat mediatiseren
natuurlijk al lang begonnen was. Op het moment dat dat eerste
vliegtuig zich in de WTC-toren boorde, om precies te zijn.
Iedereen, inclusief het leger en de brandweer, haalde zijn
informatie over wat er gaande was van CNN. Tot weken daarna werd er
zo goed als over niets anders gesproken op tv – haastig in elkaar
gestoken documentaires volgden kort daarop. Een jaartje of twee
later kwamen de tv-films. En nu dan de bioscoopfilms. Het heeft nog
lang geduurd? Vergeet het maar. De tv-rechten op het drama waren al
verkocht nog voor de torens waren ingestort, de filmrechten werden
de volgende dag van de hand gedaan, eens Hollywood er relatief
zeker van was dat het zelf niet aangevallen zou worden.

Iedereen hield z’n hart vast voor de cinema-ervaring van 9/11 – wat
zouden ze ervan maken, hoe respectvol zou het zijn, zouden de
overlevenden er wel mee kunnen lachen? Paul Greengrass z’n ‘United 93’ was een schot in de roos, een
beklijvend pseudo-documentair drama dat de angst en onzekerheid van
die fatale dinsdag perfect wist te recreëren. En nu komt Oliver
Stone met ‘World Trade Center’ – van alle regisseurs ter wereld,
uitgerekend Oliver Stone, een enfant terrible wiens films
gekend staan om hun harde kritiek op de Amerikaanse overheid.
Sommigen verwachtten al een vlammende donderpreek tegen Bush en
zijn regering, maar zo’n vaart is het niet gelopen. ‘World Trade
Center’ is een opvallend braaf, conventioneel drama geworden waarin
Stone alle heilige huisjes zorgvuldig overeind laat staan. Hij zet
er zelfs een paar weer rechtop die hij eerder in zijn carrière had
omver getrapt.

De regisseur vertelt het verhaal van John McLoughlin (Nicolas Cage)
en Will Jimeno (Michael Pena), twee New Yorkse flikken die na de
crash van het eerste vliegtuig het WTC worden ingestuurd om te
helpen met de evacuatie. Ze bevinden zich nog in het gebouw wanneer
het instort, en raken bedolven onder het puin. Een hele dag blijven
ze daar liggen, levend begraven onder muurvaste brokken steen en
ijzer. Ze kunnen zich niet bewegen, en dus alleen maar hopen dat er
iemand hen tijdig vindt.

Ik veronderstel dat dat een verhaal is dat de moeite van het
vertellen waard is, maar het is ook een bijzonder moeilijk verhaal
om een film van twee uur aan te wijden. Na ongeveer een half uurtje
zijn de gebouwen immers ingestort en liggen McLoughlin en Jimeno
daar – de twee hoofdpersonages, volledig immobiel en in het donker.
Probeer daar maar eens anderhalf uur lang een boeiend drama rond te
construeren. Stone probeert dat structurele probleem (dat inherent
is aan het materiaal) op te lossen door weg te cutten naar het
thuisfront, waar ongeruste echtgenotes Maria Bello (als de eega van
Nicolas Cage) en Maggie Gyllenhaal (als die van Pena) wanhopig op
nieuws zitten te wachten. De regisseur gooit er zelfs een paar
flash-backs naar het familieleven van de bedolven flikken tegenaan,
én een paar droomscènes, allemaal om toch maar te kunnen ontsnappen
aan de dead end-situatie waarin hij zich bevindt. ‘World
Trade Center’ is een prent die zichzelf noodgedwongen, gewoon door
de realiteit te volgen van wat er toen gebeurde, in een hoekje
filmt: eens de hoofdpersonages onder dat puin zitten, kan Stone
samen met hen eigenlijk geen kant meer op. Stone probeert langs
alle kanten om daaraan te ontsnappen, maar dat lukt hem niet zo
best.

Emotie is nooit de regisseur z’n grootste kracht geweest. Telkens
wanneer hij pogingen ondernam om oprechte gevoelens op het scherm
te brengen, eindigde hij bij sentiment. Over het algemeen waren
zijn films echter zo hard en confronterend, dat die korte
speldenprikjes van melodramatiek niet echt kwaad konden. Het dansje
op ‘Moon River’ in ‘Born on the Fourth
of July’
bijvoorbeeld, was melig, ja. Maar de rest van die film
was dan ook beenhard, dus dan stoort zo’n scène niet. In ‘World
Trade Center’ maken dat soort van stroopmomenten echter de helft
van de film op: we krijgen flash-backs naar Nicolas Cage die zijn
zoontje leert timmeren, naar Michael Pena die een naam probeert te
verzinnen voor zijn toekomstige dochter en naar andere lieflijke
taferelen van huiselijk geluk, gefilmd in een gelukzalige flou
artistique
. De conversaties tussen de twee mannen onder de
brokstukken zullen dan wel gedeeltelijk gebaseerd zijn op wat ze
daar echt gezegd hebben, maar ze beantwoorden nog steeds aan alle
clichés uit het boekje: “Zou mijn vrouw wel weten dat ik haar graag
zie”, en “Verdorie, ik wou dat ik onze keuken nog had kunnen
afmaken”, dat zijn zo ongeveer de dingen waar een mens aan denkt
wanneer hij de dood in ogen kijkt. De meest bizarre (en storende)
emo-scènes in de film zijn echter een tweetal droomsegmenten waarin
Stone er zelfs niet voor terugdeinst om een Christusfiguur op te
laten duiken. (Je moet het zien om het te geloven.) Oliver Stone,
ooit een beeldenstormer zonder weerga, heeft hier een typisch
Hollywoodiaanse tranentrekker gemaakt die op alle voorspelbare
emotionele knopjes drukt. Nu had ik niet echt verwacht dat hij het
zou aandurven om een controversiële paranoia-thriller rond 9/11 te
maken, maar ‘World Trade Center’ is een film waar echt àlle
weerhaakjes van zijn weggevijld. Misschien komt het door een
ongezonde dosis angst na het floppen van ‘Alexander’, maar Stone is met deze prent in
de pas van het establishment gaan lopen. ‘Alexander’ was slecht, maar hij was
tenminste slecht op Stone z’n eigen voorwaarden. ‘World Trade
Center’ is gewoon de conventionaliteit ten top. Dat we dat nog
mogen meemaken van de regisseur van ‘Platoon’ en ‘JFK’.

Een nevenplot rond marinier David Karnes lijkt al helemààl niet te
passen in een Oliver Stone-film. Vlak na de aanslagen zien we deze
gung-ho soldaat een snelle blik werpen op het crucifix in
z’n plaatselijke kerkje vooraleer naar Ground Zero te hollen
om te gaan helpen. Eens hij McLoughlin en Jimeno gevonden heeft,
begint hij chronisch überamerikaanse clichés te spuien, zoals: “We
halen jullie er wel uit. Wij zijn mariniers, en jullie zijn onze
missie!”, en, nog het ergst van allemaal: “Ik moet paraat staan,
want de mariniers gaan nodig zijn om wraak te nemen hiervoor!” Die
laatste uitspraak is zo misselijk, dat ze eerder in ‘Pearl Harbor’
thuishoort dan hier. Wat is er gebeurd met Oliver Stone, dat hij
dit soort opruiende praat in zijn film toelaat?

‘World Trade Center’ is een verschrikkelijk sentimentele film, die
nauwelijks extra punten wint door de goede vertolkingen van Maggie
Gyllenhaal en Michael Pena (Nicolas Cage is dan weer wat magertjes
aan het presteren). Geen idee wie het is die Oliver Stone’s ballen
heeft gestolen, maar wil die persoon ze alstublieft zo snel
mogelijk terugbezorgen aan de afdeling verloren voorwerpen?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × 5 =