Dust in the Wind – vier dagen Dour!




Dour shit-list

Roni Size (*)
Samen met Reprazent is Roni Size verantwoordelijk voor enkele van
de meest opwindende drum ‘n bass-singles aller tijden, maar daar
was op Dour bitter weinig van te merken. Size leverde namelijk een
beschamend makke set af, die vooral gericht was op herkenbaarheid,
en niet op verrassing, zoals we toch zouden kunnen verwachten van
een zelfverklaard pionier. Zo legde Size op een bepaald moment
alles even stil om gedurende een minuutje de al lang afgezaagde
riff van ‘Seven Nation Army’ te draaien, waarna hij gewoon zijn set
verderzette. Dat leverde hem veel bijval op, maar wij vinden het
eerlijk gezegd een vrij goedkope manier om te scoren. Bovendien
stond het geluid ook nog eens veel te stil, zodat de muziek bij
momenten bijna niet te horen was. Daar kon Size natuurlijk weinig
aan doen, maar dat neemt niet weg dat hij veel beter kan. Tijd om
je te herpakken, mister Size!

Capleton (*)
Het weer leende zich ertoe, dus wij dachten even een ontspannend
reggae-optredentje mee te pikken. Capleton is één van de grootste
namen in het reggaegenre, en bijgevolg verwachtten wij een
entertainend optreden. Niet dus… Capleton heeft immers een
gigantisch ego, zo bleek. Hij liet zich inleiden door een vriend én
hij had voor een eigen voorprogramma gezorgd; twee protégés mochten
een paar nummertjes brengen, die afgewisseld werden met een hoop
typische praatjes over waarom ganja gezonder is dan tabak. (Mocht u
zich afvragen wat het antwoord is op deze vraag: cannabis blijkt
een natuurlijke plant te zijn en tabak niet… Tja…)
Net als op plaat is Capleton op het podium een begenadigd zanger.
Hij kan zonder problemen zowel rootsreggae als dancehall aan, en
doet dat met verve. Waar zit dan het probleem, zult u vragen. Wel,
net zoals zijn “voorprogramma’s” houdt Capleton ervan in zijn
onverstaanbare patois minutenlange preken af te steken over
“rastafari”, “Jah” en “ganja”. Dat haalt uiteraard de sfeer uit een
optreden, maar nog veel irritanter is de gewoonte om elk nummer
minstens vijf keer te onderbreken en dan te herbeginnen -iets waar
andere Jamaicaanse artiesten trouwens ook van houden. Zo kwam het
dat we na een klein halfuur nog steeds maar drie nummers hadden
gehoord. Dat kan niet echt de bedoeling zijn. Begrijp ons niet
verkeerd: Capletons optreden had effectief wel sterke momenten,
maar helaas duurden die nooit langer dan zo’n vijftien
seconden.

Infadels (**1/2)
Moesten we bij het hanteren van criteria voor het beoordelen van
een concert vooral waarde hechten aan verwijfde danspasjes en foute
kledij, dan stond het Britse Infadels ongetwijfeld in onze Dour
topdrie. Met roze monitors en paarse dassen die vervaarlijk
vloekten met hun zwarte kostuums brachten de heren electrorock à la
LCD Soundsystem, maar dan pakken
oppervlakkiger. Bij Infadels primeren artistiek relevante
uitspattingen dan ook niet. Plezier: daar draait het om bij deze
band en de funfactor lag dan ook behoorlijk hoog. Er werd als
bezetenen geslagen op koebellen, vuilnisbakken moesten het
ontgelden en in hun pakken (denk aan maffia-outfits, maar met een
Mattel-tintje) werd er evenveel op en neer gesprongen als bij de
Masai. Toch stelt zich de vraag naar de bestaansreden van dit
groepje als je weet dat de Nite
Versions

van Soulwax in een gelijkaardig genre Infadels tot kneusjes
degraderen. In vergelijking met de sonische aardverschuivingen van
de Dewaeles zou de muziek van deze band door menig seismograaf
genegeerd worden. Hun Raconteurs-cover, ‘Steady As She Goes’
vatte het optreden van Infadels goed samen: leuk, maar zeker niet
meer dan dat.

Art Brut (**1/2)
Een rechtopstaande drummer, een Kelly Osbourne-kloon op bas en twee
gemotiveerde gitaristen: in tegenstelling tot andere bands op Dour
met de uitstraling van een vloertegel, was Art Brut aangenaam om
naar te kijken. Tot daar het goede nieuws: wat we hoorden, beviel
ons namelijk heel wat minder. De zanger van dit gezelschap zag
eruit als een jongere versie van Bryan Ferry, maar zijn stemgeluid
leunde erg dicht aan bij dat van Alex Kapranos van Franz Ferdinand. Art Brut beweerde punk,
pop blues met elkaar te vermengen maar ze klonken veel meer als
Buzzcocks ultra light dan als
Muddy Waters. Op sommige momenten konden ze hun aspiraties muzikaal
kracht bijzetten, maar de meeste nummers klonken zo lauw als de
bescheidenheid van Belle Perez. Nog een tip aan alle zangers:
een aankondiging over een nummer alvorens dat nummer te beginnen is
leuk voor een keer, maar gedurende een heel concert wordt dat
trucje zo irritant als de nieuwe Borsato-single. Duidelijker kunnen
we niet zijn!

The Best of Dour

Ms. John Soda (***)
Veel gitaren, weinig bleeps. Veel indie en weinig tronica: dat was
Ms. John Soda in La Petite Maison de la Prairie. Nog veel meer dan
op de laatste plaat van het
Duitse project werden de elektronische effecten naar de achtergrond
verbannen en kregen de snaarinstrumenten alle ruimte toebedeeld.
Acher baste alsof hij zich in één van zijn vroegere hardcore-bands
bevond en Stefanie Böhm liet haar gitaar ook stevig krassen. Het
gitaarjasje maakte van nummers als ‘Hands’ en ‘Sometimes Stop
Sometimes go’ en vooral ‘No One’ meeslepende indierock met een
lichte popnasmaak. Dat de stem van Böhm niet altijd even goed zat,
namen we er dan maar bij.

High on Fire (***)
Lang haar en behoorlijk foute tattoos; dit moet metal zijn. High on
Fire is een metal-supergroep die Matt Pike van Sleep en Joe Preston
van Melvins in de rangen telt. Net zoals deze twee bands staan zij
ook garant voor sterk door Black Sabbath geïnspireerde doom metal,
met dat verschil dat zij af en toe wel een versnelling hoger
schakelen. Op het Dourfestival stonden zij al vrij vroeg in de
namiddag geprogrammeerd, zodat het werkelijk bloedheet was vóór (en
waarschijnlijk ook op) het hoofdpodium. Toch lieten Pike en co zich
niet afschrikken. Met ware doodsverachting en vertrokken tronies
stortten ze zich op hun oeuvre, en brachten ze voor een vrij
bescheiden publiek verschroeiende versies van metalhymnes als ‘Eyes
and Teeth’, afgewisseld met hun tragere songs. Het zweet gutste er
vanaf, maar toch werd er ongelooflijk strak gespeeld (een pluim
voor drummer Des Kensel!), en leek vooral Matt Pike zich echt te
amuseren. High on Fire wordt vaak samen met Mastodon aangekondigd
als the next big thing in metal, en na dit optreden kunnen
wij dat enkel beamen.

Puppetmastaz (***)
Puppetmastaz moeten zowat de vreemdste rappers zijn die er in
Europa rondlopen. Deze Canadese Duitsers combineren namelijk hiphop
met poppentheater. Dit klinkt natuurlijk heel erg vreemd, en
eigenlijk moeten wij toegeven dat ook wij vrij sceptisch waren toen
we dit hoorden. Toch vonden we het wel de moeite waard eens te gaan
kijken. Daar hebben we absoluut geen spijt van, want in een
afgeladen volle marquee werden we getrakteerd op de vreemdste en
grappigste rapshow die we ooit gezien hebben. Muzikaal kunnen we
deze poppen ergens plaatsen tussen oldskool rap à la Ugly Duckling
en niet al te mechanische electro, en bij momenten klonken ze een
beetje als Eminem toen die nog goed geschift was: heel erg
aanstekelijk dus. De songs werden gebracht door verschillende
poppen, de ene al grappiger dan de andere. Zo zagen we onder andere
een rappend konijn met een oranje trainingsjack, een hilarische
kikker en een stoere neushoorn, die ook tussen de nummers door
zorgden voor een gezonde dosis good clean fun. U kunt hier
uiteraard de wenkbrauwen bij fronsen, maar wij vonden deze show een
ware verademing in een genre dat gedomineerd wordt door opgepompte,
hersenloze macho’s die zichzelf veel te serieus nemen. Pas op, 50
Cent, achter u!

Hermano (***)
Er is leven na Kyuss. Dat bewijzen topacts als Queens of the Stone Age, Fu Manchu en
Mondo Generator, maar ook
Hermano, waar Kyuss-brulboei John Garcia zich mag uitleven. Net als
High on Fire stonden zij vrij vroeg geprogrammeerd op het
hoofdpodium, maar voor één keer was dat niet zo erg. Hun stonerrock
gedijt nu eenmaal fantastisch in woestijnen (wat de wei van Dour op
dat moment eigenlijk ook wel een beetje was). Hermano gaf een
beenhard optreden, met in de hoofdrol gitarist David Angstrom, een
showbeest dat van ver wel wat wegheeft van Josh Homme. Hét
hoogtepunt van de set was de Kyuss-cover ‘Green Machine’, dat door
Angstrom aangekondigd werd als een grote hit van de band Krokus,
because we don’t do Kyuss“. Blijkbaar heeft Garcia zich
over de problemen met zijn oude bandmaats heen gezet, en dat siert
hem. Zoals gezegd dus een goed optreden, maar toch konden we ons
niet echt van de gedachte ontdoen dat er wat op automatische piloot
gespeeld werd. Hermano is duidelijk een geoliede machine, maar dan
wel één die rockt als de beesten…

Absynthe Minded (***1/2)
Na hun triomftocht op Werchter mocht Absynthe Minded proberen om de Club
Circuit omver te blazen met hun smeuïge mix van pop, rock, jazz en
zigeunermuziek. Een niet te onderschatten opdracht, aangezien de
tent intussen veranderd was in een bakoven die een goed
functionerende sauna deed lijken op een diepvries. De reacties van
het publiek waren dan ook niet zo uitbundig als in de Pyramid
Marquee op Werchter, maar het concert van Bert Ostyn en co was weer
om duimen en vingers bij af te likken. Overrompelende versies van
‘I Am a Fan’, ‘Mary’s Hotel’ en ‘Substitute’ werden afgewisseld met
nieuw materiaal dat het beste doet vermoeden voor de derde full-cd
van deze getalenteerde band. De nieuwe songs rockten, schakelden op
tijd een versnelling terug en waren gezegend met prachtige
melodieën. Het leek alsof ze altijd al bestaan hadden. Dient het
nog gezegd: Absynthe Minded is één van de beste bands van
Vlaanderen!

Maxïmo Park (***1/2)
Maxïmo Park is net iets minder
populair dan genregenoten als Bloc
Party
, Franz Ferdinand of
Kaiser Chiefs, maar dat betekent
hoegenaamd niet dat deze band ook kwalitatief wat minder is. Dat
werd nog eens bewezen op Dour. De catchy songs werden heel strak
gespeeld, en de dandyeske zanger Paul Smith bleek een geboren
entertainer te zijn. Hij rende van de ene kant van het podium naar
de andere en sprong extatisch in de lucht, zonder dat de kwaliteit
van zijn vocalen eronder leed. Zo kwam alles live nóg beter over
dan op plaat. Het grappigste moment van het optreden was toen een
jonge toeschouwer erin slaagde het podium te beklimmen om Smiths
hoed te stelen. Toevallig gebeurde dit vlak voor ‘The Night I Lost
my Head’, dat dan door een gevatte Smith (weer mét hoed) herdoopt
werd tot ‘The Night I Lost my Hat’. Een sterk optreden!

Amen Ra (***1/2)
Amen Ra, één van de donkerste en
zwaarste Vlaamse bands van het moment, genoot de twijfelachtige eer
te mogen spelen in de dancehall. Bovendien gebeurde dit op
klaarlichte dag, wat uiteraard de sfeer niet echt bevordert. Toch
stond de tent al vóór de band begon praktisch helemaal vol. Dat is
niet zo vreemd, want deze band heeft een ijzersterke livereputatie,
en de mond-aan-mond-reclame doet blijkbaar goed z’n werk. Op het
Dourfestival toonde Amen Ra nog eens dat zij inderdaad een
uitstekende liveband zijn. Al van bij de intro ging menig hoofd
ritmisch op en neer, en dat bleef zo tot het einde. Het geluid
stond goed afgesteld, zodat de slepende, hypnotiserende basklanken
optimaal tot hun recht kwamen, en er was duidelijk ook goed
nagedacht over de opbouw van de set. Amen Ra sloot namelijk af met
‘Ritual’, een song die naar een magistrale climax toewerkt. Tijdens
die climax gingen dan ook alle vuisten de lucht in, wat vanop het
podium ongetwijfeld een indrukwekkend zicht was. Natuurlijk zou
alles nóg beter geweest zijn in een volledig donkere tent, zodat de
bevreemdende visuals beter tot hun recht kwamen, maar we gaan niet
vervelend doen. Dit was een oerdegelijk optreden, waarmee Amen Ra
ongetwijfeld een hoop nieuwe fans heeft gewonnen.

Mercury Rev (***1/2)
Jonathan Donahue en kornuiten begonnen aan hun show als een
voetbalploeg die na de aftrap onmiddellijk een tegendoelpunt moet
slikken. Onder een dromerige popsong werd een dance-beat geplakt
met een soort new age-disco tot gevolg, een stijlvermenging die nog
erger klinkt dan in uw verbeelding. De clichématige visuals
(vogels, vlinders, sterren en ander astrologisch gezever) en
levenslessen, die op een groot scherm geprojecteerd werden, deden
ons het ergste vrezen. De band herpakte zich echter meesterlijk en
speelde een vervolg dat in menige Champions League-finale fel zou
gesmaakt worden. Prachtige songs als ‘Goddess on a Highway’, ‘The
Dark is Rising’ en ‘Tides of the Moon’ werden overtuigend gebracht.
De etherische pracht van Mercury
Rev
werd ten volle benut en hoewel Donahue de pathos niet
schuwde, was zijn performance begeesterend en beklijvend. De maan
hing als een witte discobol (vandaar misschien die opener?) boven
Dour en de ijle gitaarklanken van Grasshopper vlogen er als
vlinders naartoe. Het was voldoende om ons te imponeren.

Final Fantasy (***1/2)
Een man, een viool en effectpedalen: meer is er blijkbaar niet
nodig om een onverwacht volle La Petite Maison de la Prairie
muisstil te krijgen. In tegenstelling tot bij Mono stond iedereen
vol bewondering te kijken naar de vioolkunsten van Final Fantasy oftewel Owen Pallett. Die
respectvolle stilte was geen toeval, want Pallett speelde vol
overgave en wist door vele loops zijn concert een vol geluid mee te
geven. De bezeten kreten waarmee de nummers gelardeerd werden,
creëerden een geslaagde spanningsboog, die iedereen in een
houdgreep hield waar menig worstelaar jaloers op zou zijn. Final
Fantasy tekende trouwens voor het enige bisnummer dat we mochten
aanschouwen op Dour en wat voor één: Pallet’s versie van ‘Fantasy’
van Mariah Carey was grappig én innemend. Een knalprestatie!

Battles ( **** )
Eén van de meest eigenzinnige releases van dit jaar leverde op Dour
ook het meest eigenzinnige én opwindende optreden op. De ep’s van
Battles sloegen ons met
verstomming en live zorgde hun combinatie van kurkdroge math-rock,
beatbox en elektronica tegelijkertijd voor gefronste wenkbrauwen en
blikken van bewondering. Stanier, Braxton, Williams en Konopka
creëerden vooral met hun nieuwe songs een labyrint waar zelfs een
minotaurus met een goed functionerende innerlijke duif in zou
verdwalen. Toch werd er uit de bol gegaan op de muziek van Battles,
een gegeven dat bewijst dat de band hermetisme aan genietbaarheid
kan koppelen als geen ander.
Bovendien is Battles fantastisch om naar te kijken. John Stanier
maakte indruk als kloppend hart (letterlijk en figuurlijk) van de
band en de synthgesprekken tussen Braxton en Konopka waren ook mooi
om zien. De twee speelden trouwens keyboard en bedienden de laptop
terwijl ze foutloos met hun ene hand gitaar speelden. Technisch
meesterlijk en oneindig cool: Battles was super!!!

Mono (****)
Martelpraktijken, leed en kreten van pijn: dergelijke beelden
schoten sporadisch door ons hoofd tijdens het optreden van Mono. Dat had niets met de Japanse
postrockformatie te maken, maar alles met het publiek dat tijdens
de talrijke introspectieve momenten erg rumoerig was en er lustig
op verder taterde. Niettemin was het optreden van Mono samen met
Battles ons persoonlijk hoogtepunt op Dour 2006. De Japanners
speelden met de haren voor de ogen alsof ze auditie deden voor een
rol in een Aziatische horrorprent en deinden stevig mee op de
overrompelende geluidsgolven die ze de tent injoegen. Er werd
afgetrapt met een impressionant ‘The Flames Beyond the Cold
Mountain’: een dromerige, waaierende gitaar en enkele gitaarnoten
lieten ons wegdromen om ons met apocalyptische climaxen van onze
wolk te halen. Daarna volgden lyrische klanklandschappen van
poëtische magie en vurige intensiteit zich op en werd er constant
vol overgave gespeeld. In tegenstelling tot verschillende andere
acts zat de klank ook constant perfect, waardoor het optreden
volledig aan onze hoge verwachtingen voldeed. Mono deed ons met hun
meeslepende postrock de irritante pseudo-muziekliefhebbers rond ons
vergeten: een ongeziene prestatie!!!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 + 4 =