When God Comes Around :: Religie in de American-reeks van Johnny Cash

Image is everything. Al te vaak bevuilen gemeenplaatsen goedbedoelde meningen en discussies. Misschien is het een ontnuchtering: zo’n taaie, vuilbekkende cowboy was Cash helemaal niet.

Zopas verscheen het vijfde volume uit de American-reeks, een verzameling albums die Johnny Cash — ten tijde van het eerste deel in 1994 nog een Nashville has-been — opnam met Rick Rubin. Het leverde de artiest vier Grammy’s op en introduceerde hem bij een jong en alternatief publiek. Afhankelijk van de invalshoek is het een wat vreemd fenomeen, omdat een aardige hap uit de reeks wordt gevoed door iets dat vaak als alarmerend un-cool wordt beschouwd: religieuze overtuiging.

Dat het beeld van Johnny Cash als outlaw dominant is, zal geen verbaasde reacties oproepen. Generatie na generatie keek op naar de profeet met de krachtige bariton, die niet alleen zijn eerste sporen verdiende op het Sun-label van Sam Phillips, maar ook de missing link tussen rock-’n-roll en country hielp creëren, en zong over morbide obsessies en nihilistisch geweld. Het kapotgeciteerde "I shot a man in Reno, just to watch him die" uit "Folsom Prison Blues" (1955!) is even duivels als prediker Harry Powell (Robert Mitchum) in Charles Laughtons angstaanjagende film noir The Night Of The Hunter uit datzelfde jaar. Het heeft er eveneens voor gezorgd dat Cash ook wel eens wordt beschouwd als geestelijke voorloper van de gangsta rap en andere stromingen die dwepen met geweld. Een aandachtig luisteraar weet dat dit een ongelukkige conclusie is, en vaak het gevolg van het leggen van een foute nadruk.

Zowat de hele carrière van Cash vertoont dualiteit: een complex web van impulsen en thema’s. Het ene moment zwelgt de rebel in zijn imago van buitenstaander, even later bezingt hij de Glorie Gods met de intensiteit van een goed afgerichte misdienaar. Kris Kristofferson zei: "He’s a walking contradiction, partly truth and partly fiction", en nergens komt dat meer tot uiting dan in de teksten en thema’s die Cash aansnijdt op zijn albums. Het eerste dat de buitenwereld over American Recordings (1994) te zien kreeg, was de videoclip van murder ballad "Delia’s Gone", waarin Cash zijn geliefde (Kate Moss) afmaakt en vervolgens begraaft. Met de regels "Hard to watch her suffer, but with a second shot she died" ging de intussen bejaarde Cash nog een stapje verder dan in 1955, maar het album bevatte eveneens een handvol naakte belijdenissongs. Zoals MOJO het samenvatte in haar bespreking van het album: "[American Recordings] manages both to be truthful and confessional while also making Cash look and sound as big as a monument".

Hymnes, gospel en de Bijbel

Door op te groeien in een katoenplukkersgemeenschap in Arkansas, was Cash al vroeg in contact gekomen met zowel de seculiere als de sacrale tradities. Zijn moeder vertrouwde hem al snel toe dat zijn stem een gift van God was, en het was dan ook te verwachten dat Cash aanklopte bij de Sun studio’s in Memphis in de ijdele hoop daar gospelsongs te kunnen opnemen. Oprichter Phillips wilde daar niet van weten: "Unless you’re Mahalia Jackson; or somebody that established, you can’t even cover the cost of recording. To record sacred music by a new country singer like me (…) was something he just couldn’t do". Cash zette zijn ambities opzij om geschiedenis te schrijven met The Tennessee Two, al zou hij nog zijn zin krijgen door in te gaan op een aanbod van Columbia, dat garandeerde dat hij zijn religieuze liederen mocht opnemen. Hymns By Johnny Cash verscheen al in 1958, maar er zouden nog verwante conceptalbums volgen.

De definitieve overgave aan een religieus geïnspireerd leven volgde in 1967, toen Cash na jarenlang gedragsproblemen en drugmisbruik afkickte, en zich ten dienste van God stelde. Hij scheidde van zijn eerste vrouw, trouwde met June Carter en wijdde zich onder haar invloed aan bijbelstudie. Niet lang daarna vonden de opnames van de legendarische gevangenisalbums plaats (1968-’69), maar Cash werkte ook aan het (terecht) vergeten album The Holy Land, belijdde zijn geloof tijdens zijn eigen TV show, en maakte een film, The Gospel Road (1973), over het leven van Christus. Cash zorgde ook voor de soundtrack, een dubbelalbum verhalen en songs over de zoon van God. De twee decennia die erop volgden hielden zijn reputatie als countrylegende intact, maar creatief zat de man al te vaak op een dood spoor.

Sin & Redemption

"Delia’s Gone" sloeg aan bij een nieuw publiek en het album leverde Cash een Grammy op, maar de totale inhoudelijke vrijheid die Cash genoot, en de voor hem onbekende manier van werken (opnemen in een intimistische sfeer met zo weinig mogelijk overbodigheden en een zo natuurlijk mogelijk geluid), waren de factoren die een zich duidelijk amuserende Cash het meest koesterde. De religieuze songs op het album zijn aangepast aan de sfeer en lijken nergens op de brave en soms wat duffe hymnes op de oudere albums, die vooral bedoeld leken om de afstand tussen God en mens zo groot mogelijk te houden. In plaats daarvan komt de focus op het innerlijke en de eeuwige strijd tussen de zonde en de verlossing na berouw (sin & redemption).

Er werden niet enkel eigen songs gebruikt, maar ook traditionals en andersmans creaties, vaak songs die in de handen van Cash aan zeggingskracht leken te winnen. Op het eerste album wordt de innerlijke donkerte bezongen met "The Beast In Me", maar vooral "Thirteen", geschreven door punk/metal-icoon Glenn Danzig, gaf Cash de kans uit te pakken met een verhaal over het onafwendbare kwade, dat tweeëneenhalve minuut lang voor koude rillingen zorgt. Als contrast is er "Redemption", over hoe het lijden (erg visueel voorgesteld) van een niet bij naam genoemde Christus leidde tot nieuw leven en bevrijding van de gelovigen, die het vermogen hebben de verleidingen van het Kwade te weerstaan: "My old friend Lucifer came, fought to keep me in chains, but I saw through the tricks, of six sixty-six".

Unchained, het tweede album, baadt in een minder duistere sfeer en lijkt minder bezig met religie, maar ook hier is het tweemaal prijs: het hoopvolle "Meet Me In Heaven", opgedragen aan June Carter, bevat stukken tekst die op de grafsteen van Cash’ broer Jack voorkomen. Het epicentrum van het album is echter een loodzwaar en hartverscheurend "Spiritual" (Josh Haden/Spain), dat samengevat kan worden door de steeds terugkerende zin "Jesus, I don’t wanna die alone", een vertaling van existentiële eenzaamheid en een zoektocht naar geborgenheid in de schoot van het geloof.

Lijden, verlies & de dood

Het zoeken naar troost via dat geloof blijft een constante op volumes III en IV, albums die opvallen door een hoger aantal covers en een haast morbide obsessie met eenzaamheid, lijden en de dood. Het religieuze aspect wordt hier niet steeds expliciet uitgesproken, al wordt het steeds meer verweven met sterfelijkheid. Het is ook duidelijk dat Cash, wiens gezondheid na de release van Unchained sterk achteruit ging, nu andere zorgen heeft, veel tijd voor joligheid is er niet. Na een spoedopname in 1997 werd vastgesteld dat hij leed aan autonome neuropathie, een zenuwaandoening die zijn fysieke aftakeling zou versnellen. Het zorgde ervoor dat Cash op Solitary Man op de proppen komt met enkele gitzwarte lappen exorcisme als "I See A Darkness" en een versie van Nick Cave’s "The Mercy Seat", gruwel over de dood(straf) die niet enkel tot in detail het lijden op de stoel beschrijft, maar bulkt van de bijbelse verwijzingen naar het Oude en Nieuwe Testament, Christus en zijn lijden aan het kruis.

The Man Comes Around zet de aftakeling van Cash confronterend in de verf, niet in het minst door een pijnlijke versie van Trent Reznors "Hurt" en de bijhorende videoclip, Cash’ hoogsteigen Kroniek Van Een Aangekondigde Dood. Over het hele album, tegelijk het meest ambitieuze én ongelijke uit de reeks, hangt een donkere schaduw die de meeste songs doet baden in een doomsday-sfeer. Er wordt met melancholie teruggeblikt ("In My Life"), de eenzaamheid komt aan bod ("I’m So Lonesome I Could Cry") en good ’ole J. wordt erbij gehaald (een verassend sterk "Personal Jesus" van Depeche Mode), maar uiteindelijk wordt de plaat gedomineerd door het up-tempo titelnummer, dat losjes gebaseerd is op het boek Openbaringen, zwanger is van bijbelse referenties en in één weg nog eens de mythische "Man" ten tonele voert.

Afscheid

Meer nog dan het eerste deel is American V: A Hundred Highways het meest persoonlijke, religieuze en aangrijpende deel van de reeks. Het begint al meteen met "Help Me" (een uitgestrekte hand naar God), dat zowel fungeert op algemeen religieus, als een persoonlijk niveau. Het is een vraag om bevrijd te worden van ’de ketens van de duisternis’, maar ook een geloofsgetuigenis van een man die op z’n knieën beweert het niet lang meer te kunnen trekken zonder hulp. In het licht van het overlijden van June Carter lijkt het ook een smeekbede om haar snel te mogen vervoegen. De vastberaden traditional "God’s Gonna Cut You Down" laat dan weer weten dat God geen genade zal hebben voor zondaars die de kans om berouw te tonen aan zich voorbij laten gaan. Tenslotte staat het album ook stil bij de sterfelijkheid. Regels als "It should be a while before I see Dr Death, so it would sure be nice if I could get my breath" tonen niet enkel dat Cash zijn gevoel voor (zwarte) humor nooit verloor, maar het is eveneens tekenend voor de minder deprimerende toon van het album.

Door z’n enorme dramatische spanning, met "Hurt" als bekendste voorbeeld, zorgde The Man Comes Around voor een moeilijk draagbare sfeer. A Hundred Highways is nog explicieter en thematisch coherenter — "Like The 309", "On The Evening Train", "Love’s Been Good To Me" en "A Legend In My Time" kunnen allemaal beschouwd worden als terugblikken of beschouwingen over de dood — maar het is, misschien net doordat Cash afscheid neemt en bewust aan z’n laatste opnames werkt, beter verteerbaar dan het vorige volume. Dat "I’m Free From The Chain Gang Now" makkelijk geïnterpreteerd kan worden als een meditatie over ’vrijheid’ en een laatste afscheid, zal dan ook geen toeval zijn. Meer nog: het is een waardig, mooi en gepast einde voor een reeks werken die vanaf het begin geen thema’s uit de weg gingen.

Weinig artiesten zijn erin geslaagd zo’n emotioneel rijke wereld op te roepen als Cash op deze vijf albums. Samen zijn ze getuige van het talent van de artiest om songs te maken én betekenis te geven, en tegelijkertijd ook een eerbetoon aan het vertalen van de menselijke ervaringen en emoties — van teleurstelling en hoop tot rebellie en berusting, haat en liefde — in songs. Dat zijn tumultueuze leven en geloof daarbij zo vaak fungeerden als rode draad en sturende kracht, zorgt ervoor dat de American-reeks zoveel meer is dan een verzameling outsider songs, traditionals en intrigerende covers. Alhoewel de songs op zich vaak getuigen van onopmerkelijke bekommernissen, en Cash geen innoverend artiest was, leveren de vijf albums samen een kaleidoscopisch beeld op: een veelheid aan thema’s, lagen en interpretaties, die doordat ze gestuurd zijn vanuit een duidelijk omlijnde religieuze visie, leiden tot een overstijgen van het alledaagse beleven en een geheel dat kan gezien worden als een machtig spiritueel testament.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier + 16 =