Crimes and Misdemeanors




Woody Allen wordt gewoonlijk, en niet onterecht, gepercipiëerd als
een komisch schrijver/acteur/regisseur, maar als je zijn
filmografie eens overloopt, is het opvallend hoe groot het aandeel
dramatisch werk daarin wel is. Allens voorbeelden zijn niet alleen
Groucho Marx, maar ook Frederico Fellini en (zoals hier) Ingmar
Bergman. Vanaf de late jaren zeventig werden zijn komedies steeds
wranger, zijn drama’s steeds geestiger. Doorheen de jaren tachtig
bleef hij deze mengvorm van ernstige thematische elementen en
scherpe humor steeds verder perfectioneren (zoals in ‘Hannah and
her Sisters’ en ‘Radio Days’), tot hij uitkwam bij ‘Crimes and
Misdemeanors’, één van zijn allerbeste films. Zonder te vervallen
in intellectualistisch geneuzel of navelstaarderij, weet Allen hier
een serieuze verhandeling te construeren rond schuld en boete, de
zoektocht naar een moreel centrum in het leven en het aanvaarden
van bepaalde universele waarheden.

De plot draait rond Judah Rosenthal, een New Yorkse oogarts die
naar de buitenwereld toe het perfecte leven lijkt te hebben: hij
wordt gerespecteerd door zijn collega’s, hij heeft een fantastisch
gezin en financieel zit hij er warmpjes in. Maar Judah heeft een
paar lijken in de kast zitten. Sinds enkele jaren heeft hij een
affaire met een andere vrouw, Dolores (Anjelica Huston), die
stilaan tot de conclusie begint te komen dat Judah zijn echtgenote
nooit voor haar zal verlaten. In haar wanhoop dreigt ze ermee om
niet alleen een telefoontje te plegen naar Judah’s vrouw, maar om
ook bepaalde financiële misstappen aan het licht te brengen. De
oogarts contacteert zijn broer, een soortement gangster, om haar
het zwijgen op te leggen.

Parallel aan dit verhaal volgen we Woody Allen als Cliff Stern, een
integere documentairemaker die van pure armoede verplicht wordt om
een profiel te regisseren van zijn schoonbroer Lester (Alan Alda),
een pompeuze tv-producent. Tijdens het maken van zijn film ontmoet
hij echter Halley (Mia Farrow), die zijn bloed doet stromen op een
manier waar zijn eigen vrouw al lang niet meer in slaagt.

In essentie krijgen we hier dus het verhaal van twee mannen die elk
voor een morele keuze komen te staan in hun leven, één daarvan
extreem ingrijpend, de ander heel wat banaler. Kan Judah zijn
vriendin laten vermoorden en dat voor zichzelf verantwoorden? Kan
Cliff leven met zijn eigen, veel kleinere verraad aan z’n
artistieke integriteit en aan z’n vrouw? In navolging van
Dostojevski (samen met Bergman dé grote invloedbron op deze film),
suggereert Allen dat het antwoord op die vragen enkel afhangt van
je blik op de wereld. Als je gelooft dat er een God bestaat, of een
andere bron van morele orde in de wereld, dan volgt daaruit dat
elke immorele daad op de één of andere manier bestraft moet worden.
Geloof je daar niet in, dan kun je in feite doen wat je wil, en het
maakt niet uit, want er kijkt toch niets of niemand toe. Judah is
een ongelovige jood, maar een deel van zijn religieuze opvoeding is
schijnbaar toch blijven hangen. Aan het begin van de film zegt hij:
“Mijn vader zei vroeger: ‘De ogen van God zien ons altijd.'”
Sindsdien heeft Judah dat eenvoudige geloof in een straffende God
grotendeels laten varen – de wereld werkt nu eenmaal niet zo – maar
wanneer de situatie met Dolores uit de hand dreigt te lopen, is hij
toch bang. Bang om opgepakt te worden, om de bak in te vliegen, ja
natuurlijk. Maar ook voor wat het wil zeggen over hem als hij de
moord pleegt. Wat er zou gebeuren met zijn ziel. En nog erger, als
hij niét gestraft wordt voor de moord, zou dat willen zeggen dat er
inderdaad geen God is en dat er niemand toekijkt, wat al evenzeer
ondraaglijk zou zijn.

Dat is allemaal heavy shit, maar Allen weet uit die nogal
academisch klinkende thema’s (ziehier, een geweten, ziedaar, een
ziel!) een ongemeen fascinerende film te destilleren. Het feit dat
‘Crimes and Misdemeanors’ geen potje mentale zelfbevrediging van de
regisseur is geworden, heeft veel te maken met de humor die Allen
toch blijft gebruiken. De verhaallijn rond Cliff Stern fungeert als
tegenhanger van die van Judah, om te tonen hoe morele keuzes ook
zeer klein kunnen zijn en tóch betekenisvol voor de persoon in
kwestie. Maar daarbuiten biedt ze ook gewoon de mogelijkheid voor
Allen om voor wat comic relief te zorgen. Alan Alda’s etterige
tv-maker is gewoon een schertsfiguur die erom vraagt om uitgelachen
te worden.

Bovendien heeft Allen hier een zeer belangrijke, en zeer nobele
kunst onder de knie: complexe, veelgelaagde verhalen op een
eenvoudige manier aan de man brengen. In eerdere dramatische films,
zoals ‘Stardust Memories’, neigde Allen meer naar zelfbewuste
artistiekerigheid. Zo’n geval van “kijk eens, ik maak kunst, want
het is in zwart-wit en de structuur is zodanig door elkaar
gehaspeld dat negen tiende van het publiek op het einde niet meer
kan volgen”. In ‘Crimes and Misdemeanors’ kan iedereen volgen. Een
goeie vocabulaire is zo groot dat je geen moeilijke woorden nodig
hebt om te zeggen wat je te zeggen hebt. Je kent genoeg eenvoudige
woorden om dat te doen. Woody Allen heeft een enorme filmische
vocabulaire.

Een inhoudelijk rijk scenario, goeie acteerprestaties (Martin
Landau is onvergetelijk als de moordenaar-tegen-wil-en-dank die
haast bezwijkt onder zijn eigen tweestrijd) worden gecombineerd met
een paar simpele, maar effectieve filmische trucjes om het geheel
altijd even bekijkbaar te houden. Zo maakt Allen er een gewoonte
van om de dialogen van een volgende scène iets te vroeg te laten
beginnen, terwijl de laatste beelden van de vorige nog even
voortduren. Op zichzelf zegt die techniek niks, maar in een film
die potentieel naar praterigheid kan neigen, helpt dat wel om het
tempo hoog te houden.

‘Crimes and Misdemeanors’ is een volwassen, ernstig, rijp werk van
een filmkunstenaar die héél wat meer te betekenen heeft dan enkel
wat spitse one-liners op z’n tijd.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien − een =