Blue Jasmine

Zevenzeventig jaar, meer dan veertig films (and counting), en nog steeds niet afgeschreven, laat staan uitgefilmd: een nieuwe pensioensregeling zal Woody Allen worst wezen. Zeg van de neurotische New Yorker wat je wil, maar ’s mans volharding en werklust zijn bewonderenswaardig, evenals zijn talent om steeds weer uit een kwalitatieve put te kruipen. Vorig jaar hadden we hem na het werkelijk lamentabele niveau van To Rome With Love bijna definitief afgeschreven, maar kijk, een jaar later heeft hij alweer een nieuw filmpje ingeblikt. En Blue Jasmine mag dan misschien op elk vlak de indruk geven een eenvoudig tussendoortje te zijn (zoals bijna alle films die Allen de laatste decennia heeft ingeblikt), het is wél een onmiskenbare return to form. Welkom terug van nooit echt weggeweest, Woody Allen.

Allen heeft zijn eigen screen persona – de eeuwige neuroot met variabele obsessies – voor de gelegenheid in het lichaam van een vrouw gegoten, met name de Jasmine uit de titel. Jasmine, née Jeannette, (Cate Blanchett) voelt zich nogal blue omdat haar rijke, charismatische echtgenoot Hal (Alec Baldwin bleef nog even plakken na To Rome With Love) zich in zijn cel heeft verhangen nadat hij is opgepakt voor grootschalige fraude. Daardoor is Jasmine niet alleen haar echtgenoot, maar ook haar fortuin, haar huis in Manhattan en haar mondaine luxeleventje kwijt, en ziet ze zich genoodzaakt om bij haar zus Ginger (Sally Hawkins) in San Francisco te blijven tot zich een nieuwe cash flow aandient.

En hoewel Jasmine met een plaatsje in de titel van de film gaat lopen, is het de relatie tussen de twee zussen die de ruggengraat van Blue Jasmine vormt. Al Jasmine’s problemen krijgen immers pas vorm en waarde in het licht van die van Ginger, en vice versa. Het is het klassieke verhaaltje van twee tegengestelden die met elkaar verder moeten – hupsakee, daar flakkert een Twins-herinnering op – maar het werkt wel, op verschillende vlakken. Zo krijg je enerzijds een komisch contrast tussen de twee: Jasmine is de New Yorkse socialite die zich enkel bezig houdt met het organiseren van dinertjes, het kopen van merkkleren en het ondersteunen van haar grand chic levensstijl, terwijl Ginger een rommelige flat in San Francisco bewoont, achter de kassa werkt in een superette en, laat ons zeggen, een minder verfijnde smaak heeft. Als dat verhaal vaagweg bekend voorkomt: Allen baseerde zijn verhaal losjes op de klassieker A Streetcar Named Desire.

Maar de tegenstellingen gaan verder dan dat, en steunen de film ook op een meer menselijk en essentieel niveau. Van de mannen met wie ze getrouwd waren – de ene een vlotte witteboordencrimineel, de andere een ietwat boertige, maar eerlijke aannemer – tot hun ietwat paradoxale achtergrond als geadopteerde zussen, het drijft Blue Jasmine voort. Ze projecteren elkaars problemen op elkaar en fungeren als elkaars klankbord. Toegegeven, noch hun relatie noch hun individuele persoonlijkheden worden met geweldig veel gevoel voor subtiliteit uitgetekend – een neveneffect van de snelheid waaraan Allen zijn scenario’s schrijft en films schiet – maar enfin, Blue Jasmine is nog eens een Woody Allen-film met richting en een centrale drijfveer, en dat doet de prent en haar regisseur zichtbaar goed.

Allens films mogen dan geen box office gold meer zijn (een occasionele uitzondering als Midnight In Paris daargelaten) en van een, op z’n zachtst uitgedrukt, erg wisselend niveau zijn, maar ze worden nog wel steeds bevolkt door grote namen als Cate Blanchett en Alec Baldwin. Baldwin is erg goed als de gladde Hal – een tikkeltje routineus, misschien, maar dat past perfect bij z’n rol – terwijl Blanchett het niet altijd onder de markt heeft als Jasmine; haar aanpak van het personage is vaak nogal eenzijdig, maar door de luchtige toon van de film komt de Australische actrice er nog behoorlijk vlot mee weg, en bovendien vermijdt Allens scenario dat het personage te antipathiek wordt. Het is echter Sally Hawkins die met de beste rol van de film gaat lopen (en dat was toch alweer van Happy-Go-Lucky geleden), in de eerste plaats door Ginger zo te spelen dat ze meer is dan zomaar het klankbord van haar eens zo rijke zus, en ook haar tragisch kantje heeft – kijk maar eens naar haar niet al te smaakvolle latin lover (Bobby Cannavale). In de bijrollen herkent u trouwens Peter Sarsgaard als een rijke, slijmerige aspirant-politicus en een zoals steeds geweldige Michael Stuhlbarg als een hitsige tandarts.

Maar laat ons eerlijk zijn: de ster van een Woody Allenfilm blijft toch altijd een beetje Woody Allen zelf, of hij er nu in acteert of niet. Al vanaf minuut één herken je zijn signatuur in elk shot van Blue Jasmine, en dat komt niet alleen door de typografie van de credits of de jazzy soundtrack. Allen regisseert zijn films nog steeds behoorlijk vinnig, en met meer oog voor compositie dan je op het eerste zicht zou denken. Gedrenkt in zonnige, warme kleuren – tegenwoordig lijkt het altijd goed weer in Woody Allens films – manoeuvreert de New Yorkse regisseur zijn camera door de straten van San Francisco op een gedreven maar steeds elegante manier. Allens stijl mag dan niet meer zo nadrukkelijk zijn als in Manhattan of Stardust Memories, maar hij geniet nog steeds van de cinematografische inkleding van zijn films, zoals de long take waarin Jasmine de avances van haar tijdelijke werkgever probeert te weerstaan.

Oké, een Allen grand cru is Blue Jasmine nu ook weer niet geworden, maar het is wel een plezante verrijzenis na To Rome With Love, en wij durven de film vlotjes te klasseren als één van de betere Allens van de 21ste eeuw, naast pakweg Vicky Cristina Barcelona en Midnight In Paris. Het scenario had misschien een tikkeltje meer verfijning of een beetje meer diepgang kunnen gebruiken, en we durven betwijfelen of de film ons tot Allens volgende klepper zal bijblijven, maar het tempo en de regie maken van Blue Jasmine achtennegentig minuten tragikomische cinema zoals alleen hij die kan maken. Respect, Woody: je kan het nog.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × een =