Sigur Rós :: Takk

Naar aanleiding van de nieuwe Sigur Rós was het speculatie troef
onder muziekcritici en fans van de groep. Allerhande vergezochte
gissingen schoten als paddestoelen uit de grond en de bandleden
zelf namen gretig deel aan het stichten van verwarring door te
verkondigen dat ‘Takk’ beïnvloed zou zijn door bands als Korn en
Papa Roach. Wie ook maar een beetje vertrouwd is met het oeuvre van
de IJslandse formatie had echter al in de smiezen dat het hier om
een grapje ging. Sigur Rós en nu-metalgitaren, het is zoals Elke
Vanelderen en een goed programma: een schier onmogelijke
combinatie. ‘Takk’ is Sigur Rós zoals we ze altijd gekend en
aanbeden hebben: etherisch, subtiel, aangrijpend en vooral heel erg
meeslepend.

Omdat sommige collegae nogal sceptisch staan ten opzichte van
recensies die bulken van vergezochte metaforen, zullen we
referenties aan geisers, watervallen, bossen, opborrelende
luchtbellen en dergelijke in de mate van het mogelijke achterwege
proberen te laten. Geen gemakkelijke opgave, aangezien ook deze
plaat een erg filmisch karakter heeft, zodat elke beluistering
onverbiddelijk nieuwe beelden op je netvlies tovert. Jonsi
Birgisson zelf vergelijkt de plaat met een tocht door een bos en
wie zijn wij om hem ongelijk te geven.

Sigur Rós is nog één van die weinige groepen met een volstrekt
eigen identiteit. Bands als Mùm
en Efterklang spreiden wel een
vergelijkbaar klankenpalet tentoon, maar een Sigur Rós-song herken
je uit de duizend. Dat hun oeuvre niet bepaald gekenmerkt wordt
door bruuske u-turns vinden we dan ook helemaal niet erg.
Integendeel, als er één band is waarvan we hopen dat ze het
ingeslagen pad blijven bewandelen, zal het wel Sigur Rós
zijn.

Ondanks een schijnbaar gebrek aan koerswijzigingen kunnen we toch
stellen dat ‘Takk’ niet zomaar een vervolg is op zijn enigmatische
voorganger. Waar Sigur Rós met ‘( )’ zijn demonen uitdreef, slaat
‘Takk’ in mindere mate een gapend gat in de verdediging van de
verraste luisteraar. De vorige plaat duwde je in de diepe afgrond,
met ‘Takk’ voelen we opnieuw vaste grond onder onze voeten. De
songs hebben zowaar titels en het Hopelandisch maakt, op
twee nummers na, weer plaats voor het IJslands. De eerlijkheid
gebiedt ons echter te zeggen dat de taalwijziging eigenlijk weinig
uitmaakt, we snappen er immers even weinig van als voorheen. Het
dreigende, vervaarlijk klinkende gitaargeweld dat in de tweede
helft van ‘( )’ om de hoek loerde, maakt nu plaats voor
kristalheldere en vooral heel erg mooi uitgewerkte melodieën. De
angst en onzekerheid lijkt verbannen en strepen zonneschijn vinden
hun weg door het donkere wolkendek (daar gaat onze belofte omtrent
de metaforiek). De wil om pure schoonheid te scheppen lijkt op
‘Takk’ centraal te staan.

Het is natuurlijk niet allemaal rozengeur en maneschijn. Na een
korte maar betoverende intro roept ‘Glósóli’ opnieuw de chaotische
donkerte van ‘( )’ op die ons bang in een hoekje doet kruipen. De
engelenzang van Jonsi en subtiele belletjes worden overschaduwd
door een dreigende bas die steeds prominenter wordt. Drums zwellen
aan en na 4 minuten en 34 seconden breekt een orkaan van intens
gitaargeweld los die Katrina-gewijs over de luisteraar heen raast,
exclusief de destructieve naweeën. In tegenstelling tot Bush in New
Orleans reikt Sigur Rós ons snel de hand door de lieflijke
pianoriedel die ‘Hoppípolla’ inzet. Opnieuw worden we uit ons lood
geslagen, maar dan op een andere manier. Prachtige strijkers en
weer die krachtige drums creëren een wall of sound die hoop
en vreugde uitstraalt. Ook ‘Sé Lest’ is bijna klassieke muziek met
een sterk romantische inslag. Op het einde horen we zelfs een
fanfare de revue passeren.

Bij het horen van deze nummers weten we onmiddellijk weer waarom we
indertijd zo ondersteboven waren van ‘Agaetis Byrjun’. Net als op
hun meesterwerk uit 2000 klinkt Sigur Rós bevrijd van de emotionele
ballast die op ‘( )’ gekanaliseerd werd in een zwaarwichtige plaat.
De spontaniteit en speelsheid druipen van de songs en het
spelplezier straalt ervan af. Dat blijkt ondermeer uit het
fenomenale ‘Saeglópur’: aan Mùm refererende, knisperende
elektronica, piano en xylofoon scheppen een dromerige sfeer die
plots doorbroken wordt door een overweldigende baslijn en heerlijke
drumpartijen (een constante op ‘Takk’). Wanneer de storm is gaan
liggen, krijgen we een erg ontroerende, door strijkers gedomineerde
outro over ons heen die velen tot tranen toe zal beroeren. Ook
‘Milanó’ zal menig luisteraar naar de keel grijpen met zijn
indrukwekkende en onverwachte geluidsexplosies.
Het hoeft echter niet altijd zo groots en overweldigend te zijn op
‘Takk’. ‘Andvari’ bijvoorbeeld is een naar Sigur Rósiaanse normen
rustig en bijna poppy nummer dat rustig toewerkt naar een prachtig
slot en evenzeer een blijvende indruk nalaat. Zo toegankelijk klonk
Sigur Ros nooit.

Wie dacht dat het geluid van Sigur Rós na ‘( )’ een niet te
evenaren hoogtepunt had bereikt, zit er grandioos naast. Ze slagen
er weer in om ons dermate te overweldigen dat een zeer hoge stek in
ons eindejaarslijstje onontkoombaar lijkt. ‘Takk’ is de mooiste
boswandeling die u dit jaar zal maken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

7 + 18 =