The White Stripes :: Get Behind Me Satan

Artiesten die er een haat-liefde verhouding op nahouden met sommige
van hun songs zijn dagelijkse kost. Toen ze ‘Creep’ hartsgrondig
beu waren gespeeld, kozen de jongens van Radiohead ervoor om het
nummer uit de setlist te verbannen. Zover is het met ‘Seven Nation
Army’ nog niet gekomen, maar we kunnen ons voorstellen dat The
White Stripes hun bedenkingen hebben bij die verfoeilijke
house-versies en misselijk makende taferelen die zich in
voetbalstadia, fuifzalen, etcetera ontspinnen wanneer die
overbekende riff nog maar eens door de speakers knalt. Voor wie,
net als ondergetekende, ziek wordt van dit dronken gelal is er
heuglijk nieuws. De kans dat een nummer uit ‘Get Behind Me Satan’
gemeengoed wordt onder het Ultratop 30-publiek is eerder
gering.

De nieuwe plaat ligt namelijk niet in het verlengde van ‘White
Blood Cells’ en Elephant en
instant-toegankelijke rocksongs hebben we niet aangetroffen. ‘Blue
Orchid’ is hier een treffend voorbeeld van. Het nummer is
vintage White Stripes en bezit een onweerstaanbare, in
distortion badende riff maar de maffe, bevreemdende zangpartijen
maken de song minder catchy in vergelijking met ‘Seven Nation
Army’. Naast die eerste single laat Jack White zijn gitaar nog
noise braken in ‘Red Rain’, maar daarmee hebben we het qua grof
geweld al gehad. Het fantastische, met venijnige angels gelardeerde
‘The Nurse’ vormt hier nog een uitzondering op: de lieflijke
marimba, die de basis van het nummer vormt, wordt de pas afgesneden
door onvoorspelbare en meedogenloze gitaaraanvallen.
De overige nummers zijn opgebouwd rond de eerder vermelde marimba,
piano, percussie en akoestische gitaar, wat resulteert in een
grotere country en blues-feel, een beetje in de lijn van wat White
deed voor de soundtrack van Cold
Mountain
. ‘Little Ghost’ en ‘My Doorbell’ zijn hier de perfecte
illustraties van. In het ronduit schitterende refrein van het
laatstgenoemde nummer vraagt White zich het volgende af: “I’m
thinking about my doorbell / When you gonna ring it, when you gonna
ring it?
” Het antwoord luidt: in het aanstekelijke ‘Take Take
Take’ dat klinkt als een akoestische kruisbestuiving tussen The
Rolling Stones en Led Zeppelin. Wanneer de prachtig getitelde
afsluiter ‘I’m Lonely ( But I’ Aint That Lonely Yet ) naar zijn
einde toeloopt, kunnen we concluderen dat The White Stripes erin
geslaagd zijn zichzelf te vernieuwen zonder hun herkenbaarheid te
verliezen. Het is weinig bands gegeven om deze paradox met zoveel
flair en naturel tot stand te brengen.

Het moet een frustrerende tijd zijn voor onverlaten die met
vlijmscherpe maar ondoordachte pen klaarstonden om ‘Get Behind Me
Satan’ de grond in te boren. The White Stripes bewijzen namelijk
opnieuw dat er nog lang geen sleet zit op hun minimale maar
doeltreffende bluesrock. Als een pact met de duivel uitmondt in een
dergelijke prachtplaat, die tegelijkertijd vertrouwd en vernieuwend
aanvoelt, kunnen we verscheidene groepjes met een gebrek aan een
eigen identiteit een bezoekje aan Beelzebub aanbevelen (denken we
maar aan Coldplay-klonen als
Keane en Snow Patrol). Dankzij ‘Get Behind Me
Satan’ kleurt de zomer weer zalig rood en wit.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 + 6 =