La Grande Bouffe




Het is altijd leuk om nog eens te kijken naar wat men een jaar of
twintig, dertig geleden “pornografisch” noemde, en te zien hoeveel
er tegenwoordig nog overblijft van een dergelijke choquerende
reputatie. Gewoonlijk niet erg veel: Marlon Brando die Maria
Schneider bebotert in ‘Last Tango In Paris’, dichter bij huis
Rutger Hauer die Monique van de Ven bestijgt in ‘Turks Fruit’…
Slappe kost, naar huidige normen. Maar dàn ‘La Grande Bouffe’! Oké,
hier gaat het dan niet zozeer over seks als wel over een
ongegeneerde vreetpartij die enkele dagen lang aansleept, maar
Marco Ferreri’s anti-bourgeois pamflet werd destijds, in 1973, wel
algemeen uitgespuwd als “een vettig filmke”, porno maar dan met
voedsel. En zelfs nu, 32 jaar na dato, blijft dit straffe kost, een
prent die in staat is om elk publiek gedégouteerd naar huis te
sturen.

Het verhaal draait rond vier mannen: Marcello (Mastroianni) is een
piloot met een seksverslaving die (o, cliché!) elke stewardess
bespringt die hij maar te pakken kan krijgen. Ugo (Tognazzi) is een
chefkok die meer interesse toont voor z’n collectie messen dan voor
de mensen om hem heen. Michel (Piccoli) is een TV-reporter die
vervreemd is van z’n vrouw en dochter en Philippe (Noiret) is een
rechter die er een incestueuze relatie op nahoudt met z’n min. Vier
burgermannetjes dus, die grondig zijn vastgeroest in een gezapig
leventje van werken, eten, drinken, vrijen en slapen, en die enkel
nog de meest radicale mogelijkheden zien om los te breken uit dat
deprimerende bestaan. De heren komen samen in een luxueuze villa –
het bezit van Philippe’s familie – en laten hallucicante
hoeveelheden voedsel aanrukken, met de bedoeling zich over de loop
van de volgende dagen letterlijk dood te vreten. Wat dan volgt, is
een orgie zoals u er maar zelden één zult zien in de cinema: de
tweede avond houdt de permanent hitsige Marcello het immers al niet
meer uit zonder vrouwelijk gezelschap, en er komen drie prostituées
aan te pas, plus een mollige, lieve schooljuffrouw (Andréa
Ferréol), die de rol van surrogaatmoeder/lustobject voor de mannen
zal waarnemen. De mannen praten, vreten, neuken, vreten, drinken,
vreten en vreten.

Met al hetgeen dat we aan seks en geweld hebben zien passeren in de
filmwereld sinds ’73, blijft ‘La Grande Bouffe’ tóch nog steeds een
heftig filmpje: we zien vier mannen zich dagenlang wentelen in de
meest ostentatieve decadentie, enkel en alleen om zichzelf
doelbewust de vernieling in te helpen. Wanneer de eerste van de
mannen zichzelf ziek heeft gegeten, drukken de anderen op z’n buik
opdat hij toch maar zou beginnen winden: ‘Dat lucht op – en dan kun
je weer eten.’ Later in de film overstroomt een toilet en we zien
de stront over de vloer stromen – ‘Een overstroming! We zullen
allemaal omkomen in de schijt!’ En tussendoor – voedsel. Eindeloos
voedsel, dat de mannen door hun eigen strot rammen als waren ze
ganzen waar fois gras van moet gemaakt worden. Het zicht van
al die heerlijke schotels – want de vier heren zullen zich
natuurlijk niet doodschransen aan hamburgers van de McDonald’s, het
is allemaal grand cuisine – wekt aanvankelijk misschien de
eetlust van de kijker op, maar na een tijdje wordt de overdaad van
de film afstotend. En tegen de tijd dat u dàt punt bereikt hebt,
gaat de prent nog ruim een uur door.

Eén van de hoertjes is de eerste om het op te merken: ‘Jullie eten
hoewel je geen honger hebt. Dat is toch niet normaal?’ Nee, en dat
is net het punt. De vier bourgeois die deelnemen aan ‘La Grande
Bouffe’ realiseren zich allevier hoe zinloos hun leven eigenlijk
is. Ze werken hoewel ze hun job niet graag doen, ze neuken hoewel
ze niet geil zijn, ze eten hoewel ze geen honger hebben – alles is
verplichting en conventie, ze leiden hun leven op een bepaalde
manier omdat dat van hen verwacht wordt, ze zijn machines binnen
een samenleving die ze niet zelf gecreëerd hebben. En om daaraan te
ontsnappen, besluiten ze niét zomaar zelfmoord te plegen, maar
zelfmoord te plegen op een manier die een statement maakt:
ze spelen hun rol van vretende, drinkende, neukende sociale
machines tot in het extreme, tot ze er definitief aan ten onder
gaan. Ze doen wat ze hun hele leven al doen, maar dan doorgedreven
tot in de zoveelste macht, zodat ze met hun dood aldus en alsnog
een ferme middelvinger kunnen opsteken naar het
establishment: zie wat je van ons gemaakt hebt.

Is die thematiek nog steeds relevant? In zekere zin wel, denk ik:
de wereld loopt nog steeds vol met gefrustreerde burgermannetjes
die hun eigen gezapige leventjes verachten. Is het gek dat een
groot deel van de zakenwereld aan de coke zit, of dat seksclubs zo
goed te doen hebben? Mensen zoeken nu eenmaal uitlaatkleppen – in
‘La Grande Bouffe’ gaat dat zo ver dat de dood erop volgt.

Marco Ferreri zet dat alles in beeld in typische seventies-stijl,
wat wil zeggen dat de slechte smaak ervan afdruipt: die hele villa
is weinig meer dan een barokke circustent, waar veel te veel
meubels in zijn weggestopt, en waar veel te weinig licht
binnenvalt. De kledij – vooral die van de vrouwen – bestaat uit
schreeuwlelijke felle kleuren en alsof dat nog niet voldoende is,
vestigt Ferreri regelmatig de aandacht op die allesoverheersende
kitsch, door gebruik te maken van een zoomlens. Er is een subtiel
verschil tussen het gebruik van een zoomlens, waarbij de camera
zelf niet beweegt, en een dolly shot, waarbij dat wél gebeurt – een
dolly shot lijkt natuurlijker, je merkt de beweging nauwelijks. Een
zoomshot, daarentegen, valt meteen op, het is een heel gestileerde
manier om een persoon of voorwerp dichter in beeld te brengen.
Daarom ook dat het zo weinig gebruikt wordt, omdat het algauw
melodramatisch gaat lijken. Maar Ferreri gebruikt wél een zoom in
‘La Grande Bouffe’, waardoor de lelijkheid, de ongebreidelde
kitsch, nóg nadrukkelijker in je gezicht wordt geduwd. Dit is een
film die trots is op z’n eigen wansmaak.

‘La Grande Bouffe’ mikt van begin tot eind op overkill: de
makers vroegen zich af hoeveel een publiek anno 1973 aan zou kunnen
zonder te beginnen walgen, en toen gingen ze twee, drie keer zo
ver. Ook nu nog is dit een vreetfestijn dat smakelijk begint, maar
algauw z’n ware aard laat zien en dat je achterlaat met één
prangende vraag: wie zal daar de afwas moeten doen?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 + tien =