Schrijf wat je kent, is een tip die zowat elk beginnend schrijver krijgt. Zeker wie een meer literaire ambitie heeft, zal snel autobiografisch graven bij het vertellen van verhalen. Sommige auteurs gaan daar echter heel ver in en eindigen met nauwelijks verholen beschrijvingen van het eigen leven. Het is een aparte vorm van exhibitionisme/voyeurisme die snel tot verveling en/of gênante situaties kan leiden. Per slot van rekening getuigt het van narcisme of een wel heel vreemde zelfreflectie om te denken dat anderen, en zeker onbekenden, in die mate interesse hebben in andermans leven.
Toch kan het ook tot intrigerende literatuur leiden die voorbij het anekdotische of banale gaat. In eigen land weet Lize Spit die lijn te bewandelen, al moet zij of haar redacteur dringend leren het vet weg te snijden. Een ander sterk voorbeeld ervan is de Britse Claire-Louise Bennett. In 2016 haalde ze met haar debuut, de verhalenbundel Pond (Poel, 2015) de shortlist voor de Dylan Thomas Prize en in 2021 de Goldsmith Prizes voor haar romandebuut Check-Out 19 (Kassa 19, 2021). Beide werken werden positief onthaald en gaven Bennett de nodige bekendheid binnen literaire kringen. Haar nieuwste roman Big Kiss, Bye-Bye (2025) werd door de New Yorker uitgeroepen tot een van de beste boeken van dat jaar. Ook in deze roman staat opnieuw een versluierde terugblik op haar eigen leven centraal, met als grote verschil met het vorige werk dat ditmaal meer van een enkel verhaal sprake is.
De naamloze verteller blikt terug op haar relatie met de veel oudere oud-investeerder Xavier en of ze al dan niet opnieuw contact met hem moet opnemen, nu ze naar een klein dorp verhuisd is zonder hem hiervan op de hoogte te brengen. Daarnaast is er een andere oude man die in haar leven opduikt, haar oud-docent Engels Terence Stone die haar debuut gelezen heeft en de uitgeverij een vriendelijk berichtje stuurde. Stone laat tussen de lijnen door weten dat hij, en ongetwijfeld ook de andere docenten, op de hoogte zijn van de relatie die ze als student had met haar getrouwde filosofiedocent Robert Turner. Oude(re) mannen lijken in het leven van de ik-figuur een prominente rol te spelen, maar het zou veel te ver gaan om hier, zoals een enkele recensent deed, te spreken over relaties waarin een machtsverhouding een rol speelt.
Als een ding duidelijk is, dan wel dat de ik-verteller de nodige vrijheid in haar relaties heeft en niet louter een gebruiks- of speelding is van de ander. Uiteraard komt Xavier soms als paternaliserend over in de manier waarop hij met de verteller omgaat en bij een lokale bloemenwinkel wekelijks een bedrag van 50 euro voor haar reserveert om bloemstukken te kopen. Maar dat hangt veeleer samen met het feit dat hij over ruime financiële middelen beschikt en als bankier/financier zichzelf verrijkte op manieren die, zo lijkt hij te insinueren, zich soms op het randje van het illegale bevonden. Stone is dan weer een heel ander type man, hij is het soort oud-docent die zijn (oud-)leerlingen met respect en afstand behandelt, en persoonlijke aangelegenheden die pijnlijk kunnen zijn slechts zijdelings aan bod laat komen.
Met hem heeft de ik-verteller louter een briefrelatie waarbij – hoe kan het ook anders – literatuur de hoofdmoot voert. En toch ergert de ik-verteller zich soms aan zijn brieven en leest ze er een belediging of aanval in waarvan ze later moet erkennen dat ze deze zichzelf aangepraat heeft en een verontwaardiging opriep waar die niet gepast was. Het is dan ook niet eenvoudig om haar echt sympathiek te vinden. Zowel naar Stone als Xavier toe spreekt er een verwachting en projectie uit waarbij die ander in een rol wordt geduwd waardoor de ik-verteller bepaalde emoties kan kanaliseren, al moet gezegd worden dat ze zich hier maar al te zeer van bewust is en zichzelf hiervoor bekritiseert.
Dikke Kus, Dag-Dag is opgebouwd als een verzameling mijmeringen die een grotendeels lineair verloop kennen, en waarbij de relatie tussen de verteller en Xavier centraal staat. Er is geen duidelijke plotlijn of catharsis, het is aan de lezer zelf om conclusies te trekken, of net niet. Bennett lijkt niet de bedoeling te hebben een morele les of bevredigend einde te creëren, laat staan ook maar één personage te be- of veroordelen. Niemand in Dikke Kus, Dag-Dag is perfect en de lens waardoor de ik-verteller alles bekijkt, is gekleurd door haar bril. Het is de inkijk in een leven waarbij reflecties over relaties centraal staan, misschien niet het type relatie dat de lezer voor ogen heeft of goedkeurt, maar dat doet er niet toe. Dikke Kus, Dag-Dag is al dan niet een moment in het gefictionaliseerde leven van Bennett, het is intrigerend, vermoeiend en exhibitionistisch/voyeuristisch maar bovenal eerlijk in zijn stream of consciousness-aanpak.



