Casino

Vijf jaar nadat Martin Scorsese – niet voor de eerste of laatste
keer – op schofterige wijze van een oscar beroofd werd voor zijn
meesterlijke ‘GoodFellas’, besloot
de regisseur hetzelfde terrein opnieuw te bezoeken met ‘Casino’,
een drie uur durende wervelwind van een film over geweld, drugs en
paranoia in het Las Vegas van de jaren zeventig. Kritikasters
noemden de prent té gelijkaardig aan ‘GoodFellas’ om gezond te wezen, maar met
een afstand van tien jaar wordt het duidelijk hoe efficiënt de
beide films elkaar aanvullen: ‘GoodFellas’ en ‘Casino’ zijn twee
companion pieces, zoals ze dat in het Engels alweer zo mooi
kunnen zeggen. Ideeën uit die eerdere film worden verder
uitgewerkt, de visuele stijl ervan wordt nog één stapje verder
genomen, het tempo ligt nóg net iets hoger. ‘Casino’ is
‘GoodFellas’, maar dan nog wat verder opgehitst (voor zover
‘GoodFellas’ dat al nodig had), en als dusdanig vormt de film een
meer dan waardige uitbreiding op z’n voorganger.

We volgen de opkomst en ondergang van twee gangsters: Sam “Ace”
Rothstein (Robert De Niro), krijgt van de maffia de opdracht om één
van de grootste, meest succesvolle casino’s in Las Vegas te leiden:
het Tangiers. Ace is een perfectionist, een geboren gokker die
liefst niets aan het toeval overlaat om ervoor te zorgen dat hij
altijd wint, en zijn nauwgezette aanpak zorgt er dan ook voor dat
het Tangiers binnen de kortste keren een enorme winst maakt.
Iedereen is gelukkig, tot Ace verliefd wordt op Ginger (Sharon
Stone, die hier vriend en vijand verbaasde), een hoertje dat, net
als iedereen in Vegas, verzot is op geld. Tegen beter weten in
trouwt Ace met haar – wellicht de domste zet uit z’n hele carrière.
Rond die tijd komt ook z’n oude vriend Nicky (Joe Pesci) zich in de
gokstad vestigen. Nicky is een niets of niemand ontziende mafioso
van de oude stempel, die elk probleem oplost met z’n vuisten, een
pistool, een vulpen of een bankschroef, en zijn genadeloos
gewelddadige aanpak zorgt er algauw voor dat Ace’s filosofie van
“leven en laten leven” danig op z’n kop wordt gezet.


De gelijkenissen met ‘GoodFellas’
zijn inderdaad niet van de lucht: opnieuw krijgen we een
gangsterepos waarin de verhaallijnen voornamelijk gedragen worden
door een voice-over. Traditioneel werd een vertelstem in films
uitsluitend gebruikt om extra informatie te geven over het verhaal
en de personages, informatie die de filmmakers simpelweg op geen
enkele andere manier in hun prent verwerkt kregen. Maar wat
Scorsese deed in ‘GoodFellas’, en hier opnieuw, is van die
voice-over de belangrijkste motor van het verhaal te maken. De
gewone dialogen zeggen uiteindelijk vrij weinig, het is de
vertelstem die zowat alle nieuwe elementen aandraagt – op die
manier wordt de voice over een integraal deel van de film, en niet
zomaar een bijkomend element. In ‘Casino’ gaat Scorsese nog een
stapje verder, door consequent twee verschillende stemmen aan het
woord te laten: zowel De Niro als Pesci, en regelmatig reageren de
beide acteurs dan nog op elkaar in hun tekst. (De Niro: ‘Nu Nicky
in Vegas was, was niemand nog veilig.’ Pesci: ‘Ikke? Dat was juist
de reden dat ik daar was: om alles leeg te roven!’) Laat in de
film, krijgen we zelfs een eenmalige bijdrage van een
nevenpersonage, Frank Marino (gespeeld door Frank Vincent, een
vaste waarde in dit soort films). Bovendien is Scorsese wellicht de
eerste regisseur die de voice over commentaar van z’n personages
ook effectief situeert in de chronologie van z’n film: er is ergens
in de loop van het verhaal een bepaald moment waarop De Niro en
Pesci hun zegje doen over al het voorgaande. Dat wordt zeer
duidelijk door de manier waarop Pesci’s kant van de vertelling
eindigt.

Net als in ‘GoodFellas’ gebruikt
Scorsese een jachtige cameravoering, die barstensvol lange,
zwierige steadicamshots zit. Kijk maar naar de eerste tien minuten
van de film, waarin de werking wordt uitgelegd van een casino onder
maffia-controle: een koerier voor de grote bonzen loopt het casino
in, wandelt doodgemoedereerd de telkamer binnen, laadt een
koffertje vol geld en wandelt weer buiten alsof de tent van hem is.
En dat wordt allemaal in één ononderbroken shot in beeld gebracht.
De hele film hangt aan elkaar van dat soort shots. Cinematograaf
Robert Richardson belicht alles naar goede gewoonte weer op een
zeer gestileerde manier: felle spotlichten, diepe schaduwen, rook
die langzaam opkringelt tegen het licht van een schijnwerper,
schreeuwerige kleuren (het zijn de jaren zeventig, tenslotte)
enzovoort… Meer nog dan ‘GoodFellas’, is ‘Casino’ een film die geen
seconde stilstaat, die altijd vooruit blijft gaan, steeds sneller
en sneller, tot de kijker na drie uur uitgeput achterblijft. De
personages van ‘Casino’ leiden nu eenmaal een opgefokt nachtleven –
als gangsters moeten ze zich sowieso continu zorgen maken over wie
ze kunnen vertrouwen en wie niet, en in het geval van deze film
zitten ze allemaal nog eens aan de coke ook. Het resultaat is dat
al die figuren na een tijdje ongelooflijk paranoïde worden, hun
verstand gaat tien richtingen tegelijk uit, ze staan constant op
het puntje van een zenuwinzinking. En de visuele stijl van de film
drukt dat gevoel uit: jachtig, rusteloos, overspannen.


Wat daarbij ook helpt, is de soundtrack, die – net als die van
‘GoodFellas’ – knettert van de oude
hits, inclusief ‘Gimme Shelter’ van The Rolling Stones, ‘House of
the Rising Sun’ van The Animals en ‘I’ll Take You There’ van The
Staple Sisters. Ook hier gebruikt Scorsese die nummers niet zomaar
willekeurig: de montage van de beelden (alweer perfect aan elkaar
geplakt door Thelma Schoonmaker) werd nauwgezet getimed om overeen
te komen met de emoties in de muziek. Let op een scène waarin De
Niro Sharon Stone hardhandig het huis uitzet, terwijl ‘Nights in
White Satin’ van The Moody Blues speelt – een ongelooflijk
kippenvelmoment, maar nog niet zo indrukwekkend als de scène
daarna. Want vervolgens laat de regisseur àlle geluid wegvallen. Na
die luide, intens dramatische scène, krijgen we een doodse stilte,
alsof er net een orkaan over het scherm gepasseerd is en we nu
enkele seconden krijgen om in alle rust naar de achtergelaten
ravage te kijken.

Voeg daar nog aan toe dat De Niro en Pesci alweer fantastisch op
elkaar staan in te spelen – die scène in de woestijn is kostelijk –
en dat Sharon Stone hier allicht haar laatste goeie rol tot op
heden neerzet, en je hebt één van de betere gangsterfilms uit de
jaren negentig. ‘Casino’ is een filmische bom, die knàlt van de
nauwelijks ingehouden energie. Heeft de film echt iets te vertellen
dat nog niet in ‘GoodFellas’ zat?
Misschien niet, maar de emotionele impact is enorm en het filmische
vernuft van de regisseur is hier even duidelijk aanwezig als in
eerder welke van zijn meest bejubelde projecten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 + veertien =