Twee uitverkochte Roma’s tonen: er zat wel wat volk op een terugkeer van de alt.country band te wachten. Dat is niet evident voor een groep die twintig jaar wegbleef, en altijd al een buitenbeentje vol Bijbelse doem was. Van bij het eerste nummer was echter duidelijk waarom dit geluid al die tijd zo gemist werd.
Het zou het begin van een mop kunnen zijn, maar het was wat het was: twee uitgeweken Fransen leren in de Verenigde Staten de diep-religieuze David Eugene Edwards kennen, beginnen een band, en van het een komt het andere. Sixteen Horsepower zou eind jaren negentig met zijn eerste twee platen een geheel nieuwe kleur aan de nog prille alt.country toevoegen: Southern gothic, een variant waarin God het Oude Testament nooit heeft verlaten, hel en verdoemenis eeuwig om de hoek leren en de mens vooral een nietige speelbal is.
Zowel debuut Sackcloth ’n Ashes als opvolger Low Estate kleurden dat soort stemmig zwartekousenzwart, grossierden in doem die we eerder bij Nick Cave of Joy Division situeerden. Maar zo was Edwards wel. Opgegroeid in de sekte van de Nazareners was hij diep doordrongen van de Heer, maar dat wilde niet zeggen dat hij op zijn transistorradiootje ook niet van het bestaan van PJ Harvey of Portishead had geleerd. Hoe hij dat rijmde? Niet, vertelde hij me ooit tijdens een interview. “Mijn oplossing was om die twee werelden los van elkaar te zien.” En klonken zijn songs even intens als zijn voorbeelden, zijn boodschap was zo Bijbelvast als kon zijn: “I beseech thee, Lord, clear my head / Before once again I scar the soul of that girl in my bed.”
Kon het anders dan dat na twee albums het vet van de soep was? Hoewel nog wat lauwe platen volgden, waaronder een verzamelaar outtakes, was het tegen 2005 duidelijk dat bassist Pascal Humbert en drummer Jean-Yves Tola genoeg hadden van al die religiositeit, en 16 Horsepower verleden tijd werd. “religieuze en filosofische verschillen”, draaide de persmededeling geen doekjes om de split. En toch duurde het maar een paar jaar voor Humbert alweer Edwards nieuwe project Woven Hand vervoegde.
Vandaag is ook Tola opnieuw van de partij, en hebben we eindelijk wat nodig was. De reünie van 16 Horsepower – aangevuld met gitarist Chuck French (Woven Hand) – is een feit, en al van bij opener “I Seen What I Saw” besef je dat deze groep een zaak was van deze drie mensen. Zelfs al schreef Edwards die eerste plaat zonder hun hulp, het was pas met hun bijdragen – vooral live – dat 16 Horsepower het, euh, powerhouse werd dat het was. Zondag, herenigd, klikt alles immers opnieuw in elkaar alsof er geen twintig jaar verloren zijn gegaan. In “Haw” zet Humbert zich schrap, trekt hij de snaren van zijn bas aan alsof hij ze persoonlijk in twee wil snokken, en dat was precies wat we zo lang gemist hadden: dié power. “Dead Run” krijgt met hulp van Tola daarna de energie van een punkband mee, zodat Edwards, zittend als altijd maar met het voetje trillend vooruit, bijna van zijn kruk tuimelt. Dat hij dat in een leren broek doet? Ook een gelovige kan rock-‘n-roll doen; zeker als hij al zo lang in het vak zit.
Het is niet alsof 16 Horsepower de laatste twintig jaar nog vaak aanroepen is, maar dat maakt in De Roma niet uit. Wanneer Edwards zijn concertina opentrekt herken je dat “American Wheeze” meteen. De staccato beat waarmee Tola het nummer eindigt geeft een rilling van vertrouwdheid, de roffel waarover “Heel On The Shovel” naar zijn “shallow grave” draaft al even zeer. Het is dat wat deze groep zo straf maakte. Of het er nu zestien waren of niet, het was: paardenkracht. 16 Horsepower was country gebracht met de potigheid van een rockband, de Bijbel, maar dan met de geladenheid die Elvis in zijn woorden kon leggen. Diens gevoel voor seks dan weer niet, neen. Don’t push it. Als hij daar aan denkt, dan volgt bij Edwards een schuldbelijdenis, want uiteindelijk, zo zingt hij in een rommelig “Black Soul Choir”: “every man is evil, every man’s a liar.”
Het is 2026 en Edwards is met die houding nog altijd een even grote anomalie als twee decennia terug. Toen al was hij een curiosum uit een volstrekt vreemde wereld, vandaag is dat niet anders. Misschien is het daarom dat “Clogger”, of het donkere “Blessed Persitence” nog steeds zo actueel klinken: geen band is sindsdien ook maar in de buurt van dit geluid gekomen. Wanneer de laatste klanken van “For Heaven’s Sake” zijn weggestorven blijft dan ook maar één gedachte over: “Hallelujah, dat deze groep op zijn minst voor even weer bestaat.”



