Een goedbewaard geheim kan maar doen wat hij kan: buitenkomen en verder ploeteren. En dus doet de schromelijk onderschatte Antony Szmierek in Trix precies dat. Onder Ramses Shaffy’s motto “we zullen doorgaan” liet hij gewoon nog eens horen waarom zijn songs meer aandacht verdienen.
“Antwerp! So nice to meet you!” En terwijl hij verder performt, speelt hij naar de smartphones die hem in het gezicht geduwd worden toe. Om France Gall te citeren: “pour moi, ça veut dire beaucoup”. Dat Szmierek het allemaal nog niet beu is, bijvoorbeeld, en hier met plezier staat op te treden. En dat hij nog maar net de neus aan het venster komt steken, en nog alles te bewijzen heeft. Dat vooral.
Nochtans was Service Station At The End Of The Universe een van de prettigere debuten van vorig jaar, maar ondanks alles wilde single “Rafters” toch maar niet worden wat hij moest zijn: een geheide hit. Het bleef bij een goedbewaarde geheimtip voor melomanen, en liefhebbers van de vroege Streets. Dat ook wel.
Daar is het waar ook vanavond Szmiereks flow zich bevindt: in het idioom van een geezer die je met een “mate” op de schouder klopt, en bijpraat over de afgelopen week. Zij het dan dat de Brit meer dan zomaar een rapper is. De voormalige leraar Engels heeft naar eigen zeggen een “absurd slechte roman” achter de riem zitten, is een gecertifieerd dichter die weet hoe een bon mot klinkt, en het werk van Douglas Adams achterstevoren kan opzeggen; diens The Hitchhiker’s Guide To The Galaxy heeft zijn vette vingers overal achtergelaten op die eerste plaat, van die albumtitel tot “The Hitchhiker’s Guide To The Falacy” waarin hij ook effectief citeert “Don’t panic”.
Dat laatste davert over een diepe housedreun die laat horen dat Szmierek zich muzikaal in een ander universum beweegt dan Mike Skinner. Dat het kokend heet is, stelt de Mancunian vast. “Tegen het einde van de set gaan we er verschrikkelijk uitzien, maar dat maakt niet uit.” En hij laat ons kennismaken met de mensen rond ons. “Want zo moet het zijn”, zal hij later opmerken, wanneer hij weer eens het publiek induikt. “We zijn hier niet om een show te geven, wij komen ook maar gewoon om te feesten.”
Szmierek is een entertainer die zijn publiek bespeelt als ware het een orgeltje. “Hey, een Lambrini Girls-T-shirt”, prijst hij iemand. “Goeie band, we zijn er bevriend mee.” Voor “Twist Forever” zweept hij ons op mee te dansen. “Dat is een vorm van verzet”, houdt hij begeesterd vol. “Geloof me: de regering haat het als je dat doet.” En dus hijst hij zich in “Angie’s Wedding” op de schouders van een publiekslid. Je ziet niettemin dat hij er toch niet helemáál gerust op is.
“Big Light” drijft op een housepiano en gospelbackings die aan de vroegen jaren negentig doen denken. “Take Me There” roept de sfeer van een rave op. Szmierek vindt er niet beter op dan aan het eind op zijn Underworlds nog even “Lager! Lager! Lager!” te roepen. Dat hij op een zucht van een tweede album staat – uit eind augustus – merk je aan het drietal nieuwe nummers dat passeert. Ook in “Chalk” is hij middenin de zaal te vinden – alweer die gretigheid – een ander is introspectief, en een derde eindigt in pure drum-‘n-bass: Szmierek is nog niet uitverteld.
Ook vers is single “The Heron”, alweer zo’n housy track die meteen de toon zet voor “The Great Pyramid Of Stockport”, een absurde beschouwing over een winkelcentrum dat er nooit kwam in het gelijknamige grimmige Engelse plaatsje. “Cleopatra lived closer to the France ’98 world cup”, poneert hij met het soort stelligheid dat je dat feit doet opzoeken en bevestigen, en dus: “You get one life: live it in the valley of the kings / Motivationally speaking you got everything you need”. Het bijzondere? Dat is niet eens het beste nummer, noch de beste tekst die Szmierek vanavond bij heeft.
Dat is immers “Rafters”, waarin een stukje confetti – “the ghost of the party the night before” – naar beneden dwarrelt en de realisatie komt “I worked out the meaning of everything” en je niet anders kunt dan denken: “42”. Steek het op Douglas Adams. De dansende track brengt de zaal tot een kookpunt, en de Brit swingt zich tot de achterste rijen en weer terug. “We moeten elke show spelen alsof het Glastonbury is”, grijnst hij, en hij kondigt “The Circle Of Light” aan als de zon die is opgekomen na een nacht in de club.
Zo klinkt het inderdaad. Als een Epifanie waar niet veel meer na kan. Szmierek doet ons naar gewoonte weer aftellen alsof het nieuwjaar is, en mekaar om de hals vallen. Het is een cheesy move die blijft werken; of je nu wil of niet, je voelt ontroering en kust je lief net iets inniger dan doorgaans. “Ik wilde dat al onze shows disco-huwelijken waren”, glimlacht de frontman, en hij besluit met “Restless Legs Syndrome”: nochtans niets waar een mens last van heeft als er zo’n dansmuziek speelt. Wanneer ik me omdraai, zie ik fotografe Mariana glunderen. “Wat een show”, zucht ze, en ze mailt me met de foto’s: “deze gaat in mijn eindejaarslijstje.”
Zo doe je dat dus, als het succes je niet in de schoot valt: je wint het zieltje per zieltje. En Antony Szmierek zal niet rusten voor ook u mee bent.



