Chaplin




Het schijnt dat grote komieken in het echte leven heel vaak
bijzonder zure en/of ongelukkige mensen zijn. Een clown is iemand
die lacht omdat hij anders zou huilen. Dat ging ongetwijfeld op
voor Charles “Charlie” Chaplin, één van de grootste komieken aller
tijden, wiens privé-leven echter geteisterd werd door herinneringen
aan de mentale aftakeling van z’n moeder en de armoede waarin hij
was opgegroeid. Een man van geniale komische timing die in het
echte leven af te rekenen kreeg met seksuele en politieke
schandalen. Een man, kortom, over wie het goed biografieën
schrijven en filmen is. Heelder bibliotheken kunnen gevuld worden
met werken over Chaplin en z’n films, waarvan er maar weinig minder
betrouwbaar zijn dan de autobiografie van de man zelf, ‘My
Autobiography’, een stukje literatuur dat door mensen die het
kunnen weten werd afgeschreven als een fenomenaal voorbeeld van
goed bedachte fictie. Tegen de tijd dat Chaplin z’n memoires
publiceerde, was er immers al lang een mythe ontstaan rond de
publieke figuur Charlie Chaplin – en die mythe simpelweg voor een
groot gedeelte beamen en opluisteren met uitgebreide, romantisch
aandoende fantasieën, is makkelijker en minder pijnlijk dan de
waarheid te moeten vertellen.

Voor zijn biopic koos Richard Attenborough er echter voor om in de
hoofdlijnen juist ‘My Autobiography’ als bron te kiezen, wat wil
zeggen dat we een blik krijgen op een Chaplin die misschien nooit
heeft bestaan: een geniaal kunstenaar, artistiek en sociaal
bevlogen, die met de regelmaat van een klok faalde in z’n
persoonlijke relaties, maar uiteindelijk het hart op de juiste
plaats had zitten. Binnen het raamwerk van een lang gesprek dat de
oude Chaplin voert met de uitgever van zijn autobiografie (gespeeld
door Anthony Hopkins), krijgen we de hoogtepunten uit het leven van
de regisseur en filmster te zien: zijn armoedige jeugd, zijn
beginjaren in het vaudevilletheater van het einde van de 19de eeuw,
hoe hij ontdekt werd door Mack Sennett voor wie Chaplin vervolgens
een aantal kortfilms ging draaien en vervolgens zijn steeds verder
rijzende ster aan de hemel van Hollywood.

Chaplin is nog steeds één van de belangrijkste figuren in de
filmgeschiedenis – hij was zowat de eerste acteur die artistieke
controle kreeg over z’n eigen projecten, één van de eerste grote
filmsterren. Samen met Mary Pickford (de originele “America’s
Sweetheart”) en Douglas Fairbanks richtte hij United Artists op,
dat erop bezien was om meer autoriteit te geven aan de mensen die
effectief films maakten, in plaats van studiobazen die enkel naar
hun omzet keken. Hij verzoende melodramatiek en humor in z’n films
op een manier die nog steeds ongeëvenaard is, kortom: hij was een
indrukwekkend heerschap, die in grote mate mee heeft bepaald welke
richting de filmindustrie op zou gaan voor de volgende
decennia.

Dat alles komt ter sprake in Attenborough’s film, daar niet van,
maar het lijkt wel alsof de regisseur hier de kritiek die hij soms
kreeg voor ‘Gandhi’, wat té letterlijk heeft genomen. Voor die
prent verweet men hem soms (terecht) dat hij teveel oog had voor de
legende Gandhi en te weinig voor de mens die erachter schuilging.
Hier lijkt Attenborough vastbesloten om niét zomaar een
heiligenbeeldje op te hangen van de grote filmmaker, om op een
kritische manier naar de menselijkheid van Chaplin te gaan zoeken.
Het portret waar hij mee terugkeert, is dat van een fundamenteel
eenzame man, die z’n hele leven lang probeert om de leegte op te
vullen van een verloren liefde. Als jongeman in Londen wordt hij
verliefd op een revuemeisje – dan vertrekt hij naar Amerika, en
tegen de tijd dat hij nog eens terugkeert naar Engeland, na de
Eerste Wereldoorlog, blijkt zij gestorven te zijn. Elke vrouw die
hij daarna z’n bed inneemt (en dat zijn er wel wat), zal – volgens
deze film – een poging zijn om dat meisje terug tot leven te
wekken. Chaplin was dol op vrouwen, vooral jonge meisjes (de man
heeft naar verluidt in een niet al te bescheiden bui z’n eigen
geslacht het “achtste wereldwonder” genoemd), maar achter dat
eindeloze rondgeneuk zat volgens Attenborough iets heel anders –
angst om alleen te blijven. En angst om gek te worden, net als z’n
moeder.

Het siert de regisseur dat hij ditmaal z’n onderwerp op een ietwat
kritische manier benadert, maar het eindresultaat is, dat Charlie
Chaplin uit de film naar voren komt als een vrouwenloper die
tussendoor af en toe eens een film draaide. We krijgen uitgebreide
scènes van het montageproces voor ‘The Kid’, maar dat dan in de
context van zijn eerste echtscheiding – zijn ex, Mildred Harris,
beschouwde de onvoltooide film als een eigendom van het huwelijk,
dat gedeeld diende te worden. Het gevolg was dat Chaplin en z’n
medewerkers de grens over moesten vluchten om de prent af te
werken. Er wordt dus over ‘The Kid’ gesproken, maar eigenlijk
vooral over de omstandigheden van z’n scheiding. Later zien we hem
obsessief werken aan dat andere liefdesproject van ‘m, ‘The Great
Dictator’ – Paulette Godard, zijn leading lady en vrouw, kan alleen
maar toezien hoe haar man zich in zichzelf terugtrekt, waarbij zij
steeds minder belangrijk wordt. Opnieuw wordt de film in de schaduw
van de smeuiige details uit Chaplins privé-leven gesteld. In elke
biopic moet je een zeer delicate balans vinden tussen de nodige
aandacht voor de persoonlijke drijfveren van je onderwerp, en tóch
je verplichting om duidelijk te maken waaróm die persoon nu
eigenlijk herinnerd wordt. Wat de wereld zich herinnert van
Chaplin, is niet z’n seksleven, maar z’n films.

Niettemin doet Attenborough een aantal mooie dingen: in
tegenstelling tot ‘Gandhi’, heeft de film een zeer strak tempo, het
gaat goed vooruit. En op gepaste momenten maakt de regisseur hier
zelfs gebruik van een aantal techniekjes uit Chaplins tijd – de
muziekscore is een regelrechte hommage aan die uit Chaplins films,
er wordt een iris gebruikt om fade-outs te creëren (zodat het beeld
langzaam zwart wordt in een steeds nauwer cirkeltje), en hier en
daar krijgen we zelfs korte slapstick-montages. Let bijvoorbeeld op
een vroege scène waarin Chaplin als kind probeert te ontsnappen uit
het armenhuis.

Bovendien krijgen we hier Robert Downey Jr. in een ware tour de
force-vertolking als het titelpersonage. Downey, nochtans niet
bepaald een man met een grote status, spéélt Chaplin niet, hij is
die man: niet alleen lijkt hij erg sterk op zijn personage, maar
hij weet ook een enorm aantal subtiliteiten in z’n spel te leggen,
die duiden op de persoon achter het clownsmasker. Een Charlie
Chaplin-imitatie geven, dat kunnen er veel. Maar wie was Chaplin
eens de camera’s stopten met draaien, en hoe maak je die overgang
van de beroemde zwerver naar de teruggetrokken, vaak introverte
privé-persoon enigszins geloofwaardig? Downey zet nergens een stap
verkeerd, het is werkelijk een fantastische prestatie.

Attenborough heeft, zoals steeds, een film gedraaid die barst van
de goede bedoelingen, maar die af en toe willens nillens toch
verzinkt in sensatiezucht – dit was een man die het aanzicht van de
film voorgoed heeft veranderd. Valt daar echt niets interessanters
over te melden dan met wie hij in bed is gekropen?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × vier =