Taxi Driver

Het is eigenaardig dat als je naar het lijstje van klassieke films
kijkt, je maar weinig films zult aantreffen die bij hun
aanvankelijke release een wijd verspreide waardering kregen.
‘The Godfather’ en ‘Casablanca’ zijn bijvoorbeeld
uitzonderingen die vanaf het begin een groot publiek aanspraken en
dat nu nog steeds doen, maar de meeste films waar tegenwoordig veel
waarde aan worden gehecht, werden in hun eigen tijd verkeerd
begrepen, afgekraakt door de critici of genegeerd door het publiek.
Kijk maar naar ‘Citizen
Kane’
. De helft van de films van Kubrick. Je hoeft zelfs die
zware films niet op te zoeken – een luchtige Hollywoodklassieker
als ‘The Wizard Of Oz’ was
een commerciële flop toen hij uitkwam. Misschien heeft het er wel
wat mee te maken dat ware kwaliteit enige tijd nodig heeft om
herkend te worden. Of dat complexe films, films zonder een
eenduidige betekenis die direct begrijpelijk is voor iedereen in
het publiek, verscheidene visies nodig hebben om echt onder de huid
te kunnen kruipen.

Dat laatste lijkt mij het geval te zijn voor ‘Taxi Driver’ –
destijds was zeker de Amerikaanse pers niet unaniem lovend over die
film en hoewel het tegenwoordig een klassieker is geworden, waren
er veel mensen die ‘m ziekelijk noemden, of zelfs pornografisch.
‘Taxi Driver’ kreeg beschuldigingen van racisme, mysogenie en in de
eerste plaats doodeenvoudige wansmaak voor de voeten geworpen.
Zoals wel meer klassiekers.

Een belangrijke reden daarvoor is dat Scorsese met ‘Taxi Driver’
een volstrekt subjectieve film maakte – àlles wordt gezien door de
ogen van Travis Bickle (Robert De Niro), een Vietnamveteraan die
tegenwoordig een terminaal eenzaam leven leidt als taxichauffeur in
New York. Hij heeft niemand, zit heelder alleen in zijn luizig
flatje en houdt een dagboek bij waarin hij zijn walging over de
hele wereld uitkotst. ‘s Nachts rijdt hij rond met z’n taxi,
schijnbaar enkel om argumenten te verzamelen voor de afkeer die hij
voelt voor alles en iedereen. Travis is wellicht één van de meest
onaangename hoofdpersonages uit de filmgeschiedenis, het soort man
waar je in het echte leven niets mee te maken zou willen hebben,
maar Scorsese dwingt ons wel in zijn standpunt – we bekijken de
wereld door zijn ogen. En die ogen zijn gevuld met haat. Het is dat
subjectieve vertelstandpunt dat ertoe geleid heeft dat mensen de
film ‘Taxi Driver’ als even hatelijk zijn gaan beschouwen als het
hoofdpersonage. Maar dat zou een denkfout zijn.

Een groot probleem bij het interpreteren van de film, is dat Travis
Bickle een vat vol tegenstrijdigheden is. De manier waarop hij New
York en de mensen erin beschrijft in zijn dagboek, als “vuiligheid
dat van de straten afgewassen moet worden door een zondvloed”,
suggereert een soort van idealisme in z’n karakter. Alsof hij
iemand is die op zoek is naar zuiverheid, naar een weg uit de
vuiligheid. En inderdaad, over de loop van de film zien we hem
pogingen ondernemen om dat te doen, om zich een weg uit z’n eigen
eenzaamheid te vechten en de wereld op z’n eigen manier een betere
plek te maken: eerst probeert hij een relatie aan te knopen met
Betsy (Cybill Shepherd), een archetypisch all-American meisje met
blond haar en blauwe ogen. Wanneer dat mislukt, onderneemt hij
pogingen om een kindhoertje, Iris (Jodie Foster op haar
veertiende), uit het prostitutiemilieu te halen. Alsof hij de
laatste idealist, de laatste zuivere ziel in een stad van corruptie
is.

Maar diametraal daartegenover staat dan de manier waarop Travis
zichzelf systematisch kapotmaakt: hij vreet junkfood, drinkt teveel
(let erop hoe hij continu sterke drank in z’n koffie giet), hij
slikt pillen… Wanneer hij Betsy zover krijgt met hem uit te gaan,
saboteert hij zichzelf door haar mee te nemen naar een pornofilm.
En de enige manier waarop hij Iris uit haar situatie weet te
redden, is door zijn toevlucht te nemen in vreselijk geweld. Op die
manier wordt Travis iemand die zichzelf, al dan niet bewust,
eenzaam houdt, die zichzelf steeds opnieuw in de positie dwingt van
outsider in de maatschappij. Hij zoekt naar een manier om contact
te leggen, om zichzelf uit z’n eenzaamheid te halen en van de
wereld een betere plek te maken zoals hij zich dat voorstelt – maar
hij werkt zichzelf ook de hele tijd tegen. Dat alles maakt van
Travis een uitzonderlijk complex – en onaantrekkelijk – personage,
en van de film een prent die niet vast te pinnen is op één bepaalde
betekenis. Het is onmogelijk om ‘Taxi Driver’ samen te vatten in
enkele woorden, om te zeggen: “dààr gaat het over.”

Vooral ook niet omdat er nergens een rechtstreekse aanleiding wordt
gegeven voor Travis’ gedrag – een voor de hand liggende uitleg zou
zijn verleden in Vietnam zijn, maar daar wordt nergens dieper op
ingegaan. Veel mensen die de film maar éénmaal gezien hebben,
herinneren zich achteraf niet eens dat Travis in de oorlog is
geweest, zo weinig aandacht wordt eraan besteed. Het is
waarschijnlijker dat scenarist Paul Schrader Travis heeft ontworpen
als typisch resultaat van grootsteeds Amerika van die tijd –
Vietnam, Nixon, de Pentagon Papers, stijgende criminaliteit,
raciale spanningen… De eerste helft van de jaren zeventig waren
nu niet wat je noemt een vrolijke tijd voor de VS, zeker niet in
grote, onpersoonlijke steden als New York. En mensen als Travis
Bickle zijn dan het resultaat, veronderstel ik.

Wat dat betreft liet Paul Schrader zich duidelijk inspireren door
twee bronnen: Dostojevski’s ‘Aantekeningen uit het Ondergrondse’ en
(hoewel dit mijlenver van dat boek afligt) John Fords western ‘The
Searchers’. In het boek van Dostojevski kregen we eveneens een
eenzame anti-held die in zijn dagboeken fatalistisch commentaar
geeft op de samenleving en vooral zichzelf, wat voor een belezen,
intellectueel man als Schrader ongetwijfeld thematische inspiratie
moet hebben geboden. En in ‘The Searchers’ vinden we het thema van
de zoektocht naar de gekidnapte onschuld terug – John Wayne die
zijn door indianen ontvoerde nichtje gaat zoeken, enkel om te
ontdekken dat ze niet gered wil worden. Gaandeweg is Wayne zelf
méér een wilde geworden dan eender welke indiaan. De link met de
plot van ‘Taxi Driver’ kon niet duidelijker zijn – en dan is er nog
het feit dat Scorsese een grote fan is van die film.

Scorsese, hier nog steeds aan het begin van z’n carrière,
regisseert de film op een waanzinnig vindingrijke manier – zonder
ooit ergens pocherig uit de hoek te komen, laat hij de camera
regelmatig vreemde dingen doen, zoals in een scène waarin Travis
aan de telefoon staat te praten, simpelweg naar rechts wegpannen,
zodat we enkel een lege gang te zien krijgen. Het telefoontje in
kwestie is een vernederende ervaring voor Travis, en de camera
lijkt haast beschaamd om het moment te registreren. Dàt is een
subjectieve film, en ‘Taxi Driver’ wemelt van dat soort van
momentjes: de slow motion introductie van Betsy. De manier waarop
de taxigarage getoond wordt voordat we terugkeren naar Travis in
dezelfde camerabeweging. Een lang shot van een bruistablet dat
smelt in een glas water. Scorsese legt continu vreemde accenten,
maar dit is dan ook een vreemd personage. Het eindresultaat is een
gevoel van eenzaamheid en wanhoop dat in maar weinig andere films
geëvenaard wordt.

De combinatie Scorsese-Schrader-De Niro heeft wellicht nooit een
betere film opgebracht als deze (inclusief ‘Raging Bull’). De Niro doet hier
wat hij tegenwoordig haast nooit meer doet, en verliest zichzelf
helemaal in z’n personage, een zwijgzame man die teveel voelt en
niet weet wat hij met z’n emoties en rondrammelende gedachten
aanmoet. ‘Taxi Driver’ is grote cinema, één van die films waarin
enorm getalenteerde mensen op het hoogtepunt van hun vermogens
samenkwamen en iets onvergetelijks hebben gepresteerd.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien + negentien =