Harold & Kumar Go To White Castle






Voorwaar, ik zeg u: twee nieuwe helden in de filmwereld zijn
opgestaan. Dat ze maar snel weer gaan liggen. De regisseur van
‘Dude, Where’s My Car?’, één van de hoofdrolspelers uit ‘Van Wilder’ en voor het overige nog een
stelletje nobele onbekenden spanden samen om ons Harold en Kumar te
geven, een komisch duo dat erop ontworpen is om er een hele reeks
van dit soort ‘komedies’ aan op te hangen. Harold & Kumar Go To
Amsterdam. To Disneyland. To Detox. Straight To Video.

Harold is een Koreaanse bankier, zijn flatgenoot Kumar een Indische
niksnut die na z’n medische studies vooral maar niet in de
voetsporen van z’n vader wil volgen. Samen brengen ze hun dagen
door met de belangrijke dingen des levens: stoned worden, junk-food
vreten en films bekijken waarin Katie Holmes haar borsten laat zien
(ik heb gecheckt op imdb: het is ‘The Gift’ van Sam Raimi, maar
haar personage is op dat moment al dood en u moet erg snel kijken
om het te zien). Na een avondje flink blowen krijgen onze helden de
munchies. Op tv zien ze een reclamespot voor een hamburgertent
genaamd White Castle (product placement ahoi!), en dus
besluiten ze om een epische reis te ondernemen richting
cheeseburger, frietjes met ketchup en twee grote cola’s. Onderweg
krijgen ze onder andere af te rekenen met hardnekkige racistische
skinheads, dolgedraaide wasberen, garagisten die zienderogen pus
lekken uit de vele zweren op hun lijf en – o gruwel! – zelfs Neil
Patrick Harris, die kerel die destijds Doogie Howser MD speelde op
tv.

Het gekke aan ‘White Castle’ is de manier waarop deze film
overwegend positief werd onthaald door critici aan de andere kant
van de oceaan. Ik heb zelfs recensies van dit ding gelezen waarin
het geprezen werd als een verrassend intelligente analyse van de
raciale spanningen in het Amerika van vandaag. Waarin zelfs het
gebruik van de naam White Castle als symbolisch werd
beschouwd voor de manier waarop deze twee niet-blanken toegang
zoeken tot het beloofde land – blank Amerika. Ik heb geprobeerd om
die analyse van de film in gedachten te houden tijdens de scène
waarin twee meisjes elkaar proberen te overtroeven met steeds
luidere uitbarstingen van diarree – ‘we hebben al zo lang niet meer
Battleshits gespeeld!’ – maar op de één of andere manier
wilde dat maar niet lukken. Ook de close-ups op pulserende en
daarna in geel pus uit elkaar spattende gezwellen op de nek van één
van de personages, was nu niet direct een lokkertje om ‘White
Castle’ hoog aan te slaan als sociale kritiek. De film maakt wel
behoorlijk wat grapjes ten koste van racisten – de rednecks die
Harold en Kumar overal lijken te volgen, de flikken voor wie
iedereen die niet blank is, wel iets misdaan zal hebben – maar
laten we even eerlijk zijn: dit is géén Spike Lee-joint.

Heel af en toe valt er zowaar een leuke grap terug te vinden onder
de smurrie – scènes die zó onnozel zijn, dat ze toch weer geestig
worden. Voorbeeld: Kumar zegt tegen z’n vader: ‘Dad, come
on.’
Vader tegen Kumar: ‘Daddy is not coming on
anything!’
Ja, als het niveau maar puberaal genoeg wordt,
schiet ik toch weer spontaan in de lach, het spijt me.

Maar voor het overige is dit een doorsnee festijn aan schijterij-
en tietengrappen, dat zo banaal is dat je je na een tijdje begint
af te vragen waarom ze er niet gewoon een lachband onder hebben
gezet. Het basisgegeven van ‘White Castle’ werd al honderd keer
eerder gedaan: stuntelige helden willen alleen maar van a naar b
gaan, maar komen terecht in steeds waanzinniger situaties, zodat ze
de hele nacht bezig blijven. Het perfecte voorbeeld van dat genre,
de film die dat genre boven zichzelf verhief en daardoor zo goed
werd dat het bijna heiligschennis is om ‘m in deze recensie te
vermelden, is Scorsese’s ‘After Hours’. Het hoofdpersonage in die
film wilde alleen maar naar huis gaan, en het lùkte ‘m gewoon niet.
Maar je hoeft het zelfs niet zo arty te maken, neem
bijvoorbeeld maar ‘s gewoon de eighties komedie ‘Adventures In
Babysitting’, waarin een jonge Elisabeth Shue samen met de kinderen
waarop ze babysit, een vriendin wil gaan ophalen in een busstation
en uiteindelijk een hele nacht op avontuur moet. Die films hebben
hun basisgegeven gemeen met ‘White Castle’, maar wat zij hebben, en
deze prent niet, is simpelweg samenhang. Harold en Kumar rollen van
de éne situatie in de andere, maar geen twee daarvan hebben echt
iets met elkaar te maken. In films als ‘After Hours’ en zelfs
‘Adventures In Babysitting’ (nu klinkt het al alsof ik die film wil
ophemelen, maar geloof me, dat is niet zo), zag je een
sneeuwbaleffect aan het werk – één verkeerde afslag, een bankbiljet
dat wegvliegt, één foute keuze en van daaruit werd het steeds
erger, een hele nacht lang. In het geval van ‘White Castle’ krijgen
we niets van die aard – de verschillende situaties volgen elkaar
wel op, maar ze worden niet door elkaar beïnvloed, ze escaleren
niet. Waardoor de film erg fragmentarisch aanvoelt en ook geen
sterk einde heeft.

John Cho en Kal Penn zijn relatief sympathiek in de titelrollen –
geen twee gezichten die u dreigt te zullen onthouden, maar wie zou
dat dan ook willen? In ieder geval zijn ze niét zo ergerlijk als
pakweg Seann William Scott, die normaal gezien epidemisch opduikt
in dit soort films, maar ditmaal klaarblijkelijk een dagje vrij
wilde nemen. Voor het overige wordt ‘White Castle’ voornamelijk
bevolkt door mooie dames die niet veel te zeggen krijgen (maar
daarvoor werden ze dan ook niet ingehuurd) en een resem
bijrolacteurs die elk in hun eigen unieke timbre het woord “dude”
uitspreken.

‘White Castle’ is een stoner-komedie, en als dusdanig weet u dus
waar u zich aan kunt verwachten. Het had erger kunnen zijn,
veronderstel ik – ditmaal tenminste geen broodjes hondensperma of
schaamhaar in de huwelijkstaart. Maar er komt een moment waarop
scheten, sperma en tieten simpelweg niét meer grappig zijn. En dat
lang moment is al làng geleden gekomen en gegaan.

http://www.haroldandkumar.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × 5 =