Fear and Loathing in Las Vegas




“We had all the momentum; we were riding the crest of a high and
beautiful wave. So now, less than five years later, you can go up
on a steep hill in Las Vegas and look West, and with the right kind
of eyes you can almost see the high-water mark – -the place where
the wave finally broke and rolled back.”

Dit is een deel van de beroemde “wave speech” uit Hunter S.
Thompsons ‘Fear and Loathing In Las Vegas’, één van de bijbels van
de Amerikaanse tegencultuur. Thompson was tijdens de jaren zestig
en zeventig de bezieler van het Gonzo-journalisme: verslaggeving
waarin de persoonlijke, subjectieve ervaring van de journalist
centraal staat, waarin zijn meningen, angst en walging de tekst
dicteren. Hij schreef over de Hell’s Angels, de campagne van Nixon
in ’72, over de mensenrechtenbeweging, politiebrutaliteit, enz…
En daarmee werd hij de stem van de desillusie van Amerika na de
hoopvolle periode van de jaren zestig.

De sixties waren het tijdperk van verandering in de VS, er heerste
een gevoel dat een idealistische jeugd eindelijk komaf zou maken
met de corruptie van het systeem. Maar zo is het niet gelopen – de
conservatieve meerderheid wist toch z’n slag thuis te halen,
terwijl de love generation uit elkaar viel. Nixon werd
president, de oorlog in Viëtnam nam in hevigheid toe voordat hij
eindelijk ten einde kwam, en langzaam maar zeker bleek dat drugs,
drank en vrije liefde ook behoorlijk wat nadelen hadden. De
positieve resultaten van de flower power (een verhoogd
politiek bewustzijn bij veel gewone burgers, bewegingen voor
vrouwenrechten en mensenrechten) zouden pas enkele jaren later
voelbaar worden. Op dat moment, vroeg in de jaren zeventig, leek
het echter allemaal één gigantische puinhoop – het idealisme had
niets uitgehaald, de corruptie bleef bestaan. Die golf van
jeugdige, goedbedoelde energie waar Thompson over schrijft, was
uiteindelijk gebroken op het zand van de woestijn van rechts
conservatisme. Je kon nog net de donkere lijn in het zand zien waar
dat was gebeurd.

Thompson was één van de barden van die tijd – iemand die, naar de
gebruiken van zijn leefwereld, industriële hoeveelheden drugs en
drank consumeerde en gaandeweg schreef over Amerika zoals hij dat
zag: een land met repressieve overheidsdiensten die erop uit waren
om persoonlijke vrijheden zoveel mogelijk te beknotten, en voor het
overige een ontzagwekkende hoeveelheid domme, banale mensen die er
niets aan deden om die repressie te doorbreken. ‘Fear and Loathing
In Las Vegas’ is zijn meesterwerk – a savage journey into the
heart of the American Dream,
zoals de cover van het boek
vertelt. Een echte plot is er niet – Thompsons alter ego Raoul Duke
en zijn advocaat Dr. Gonzo vertrekken naar Las Vegas om verslag uit
te brengen van een autorace in het midden van de woestijn. Hun
kofferbak zit vol met “extreem gevaarlijke” drugs: mescaline, LSD,
uppers, downers, cocaïne, zelfs ether. Met die drugs, en bovenal
met de angst en walging die ze hebben overgehouden aan de algemene
desillusie van de laatste jaren, zetten ze een weekend lang Las
Vegas op stelten.

‘Fear and Loathing’ is typisch zo’n boek dat iedereen voor
onverfilmbaar hield, tot Terry Gilliam er toch in slaagde in ’97.
Het resultaat was een film die al even agressief onconventioneel
was als het boek, en bijgevolg al even extreme reacties opriep.
Heel wat mensen vonden dit niet om aan te zien, en commercieel
succes bleef uit. In de tussenliggende jaren is er evenwel een
herwaardering gekomen – mensen kijken er een tweede keer naar,
wennen aan het hysterische ritme van de film en beginnen te
begrijpen wat precies de bedoeling was. Op video en nu op dvd heeft
‘Fear and Loathing’ zelfs een soort van cultaanhang gekregen.

Het is in ieder geval fout om ‘Fear and Loathing’ af te schilderen
als een film over drugs, dat is het niet. Raoul Duke en Dr. Gonzo
zijn in feite weinig meer dan twee symbolische figuren – ze zijn
twee willekeurige leden van de tegencultuur, mensen aan wie in de
jaren zestig werd beloofd dat alles zou veranderen, zonder dat die
verandering er is gekomen. Hun reactie is dan maar om in alles zo
anarchistisch mogelijk te worden, om steeds verder te gaan zonder
om te kijken. Ze vernietigen hun hotelkamers, hun wagen en
uiteindelijk zichzelf. Met het breken van die golf van verandering
staan ze nergens meer en dus zeggen ze simpelweg: fuck
everything
. Hun angst en walging neemt het over, ze vluchten
weg in drugs en agressie. Angst en walging voor wat? Voor een
Amerika dat landen ver weg bombardeert terwijl mensen in Las Vegas
zich blindstaren op flikkerende lichtjes en zich uitleven in een
circusachtig casino waar dwergen trapeze-acts doen.

Gilliam maakte van ‘Fear and Loathing’ een surrealistische
ervaring, die vaak het verwijt kreeg chaotisch, ongecontroleerd en
uitputtend te zijn. Maar lees het boek en je merkt op dat je die
argumenten daar óók voor kunt gebruiken. De toon van de roman is
ongewijzigd overeind gebleven in de film. Net als alle prenten van
Gilliam, heeft ook deze een onontkenbare arrogantie over zich – je
houdt ervan of je haat het, maar er is geen tussenweg mogelijk en
je krijgt de indruk dat het de regisseur uiteindelijk ook worst zal
wezen of je mee bent of niet. Felle, psychedelische kleuren,
onstabiele camerabewegingen waar je haast een dronken gevoel van
krijgt, het snel ratelende stemmetje van Johnny Depp op de
voice-over en natuurlijk gortige scènes waarin de personages al dan
niet verstaanbaar tegen elkaar staan te gillen of aan projectile
vomiting
doen, domineren de film. Geen wonder dat er veel
mensen op afknappen. Maar dat is nu eenmaal de stijl waarmee
Thompson werkte. Heel die ‘Fear and Loathing’, ook in boekvorm,
gààt juist over excessen. Dat de film excessief is, is niet iets
dat je makers kunt verwijten, net zo min als je een komedie zou
kunnen verwijten dat hij z’n kijkers aan het lachen maakt – dat is
nu eenmaal eigen aan het beestje.

Tijdens de eerste helft van de film lijkt ‘Fear and Loathing’ in de
eerste plaats een komedie. Johnny Depp brengt een manische energie
naar zijn rol van Duke – hij is een man die geen twee seconden stil
kan zijn, steeds in beweging is, continu paranoïde door de dope in
z’n lijf. Tegenover hem staat Benicio Del Toro, die zo’n 20 kilo
bijkwam voor z’n rol als Dr. Gonzo en zich hier van z’n meest
vadsige kant laat zien, een varken van een vent. Aanvankelijk zijn
hun belevenissen nog komisch (zoals een scène waarin Depp op de
vlucht is voor een politieagent en gaandeweg professioneel
commentaar geeft over de correcte manier om voor de wet te
vluchten), maar tijdens het tweede uur lijkt alles steeds verder
uit de hand te lopen, de excessen worden gortiger, de sfeer van de
film wordt scherper, venijniger. We houden op met lachen en we zien
in hoe tragisch (en mogelijk gevaarlijk) deze twee figuren wel
zijn. Dat is ook weer zoiets dat tegen de film is gebruikt – “het
begint leuk, maar naar het einde toe wordt het gewoon tevéél” –
maar ook dat is eigen aan de film, dat was wel degelijk de
bedoeling.

Als verfilming van Thompsons boek is ‘Fear and Loathing’ zonder
meer geslaagd – de ideeën en de toon ervan blijven overeind,
ondersteund door hallucinante beelden en geweldige acteurs. Of dit
een trip is die u zult willen nemen, is niettemin een heel andere
vraag.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien − 2 =