Bob Roberts

Nog voor Michael Moore bij consensus werd uitgeroepen tot het
liberaal geweten van de Verenigde Staten, had je natuurlijk al
onverbeterlijke left wingers in de filmindustrie die er niet
vies van waren om hun stem te laten horen. Tim Robbins leverde
wellicht de meest succesvolle links georiënteerde prent met ‘Bob
Roberts’, een scherpzinnige satire die tijdens de voorbije tien
jaar nog niets van z’n actualiteit verloren heeft. Wel in
tegendeel.

Robbins schreef, regisseerde, was (samen met z’n broer David)
verantwoordelijk voor de muziek én speelt de hoofdrol in deze
mockumentary over een extreem-rechtse folkzanger, Bob
Roberts, tijdens zijn campagne voor het senatorschap van
Pennsylvania in 1990. Een schaamteloze yuppie en kapitalist tot in
de zoveelste graad, vertegenwoordigt Roberts niets anders dan
hebzucht en eigenbelang, ten koste van wie of wat dan ook. Hij
verdiende z’n fortuin via “verstandige beleggingen”, die allicht
neerkomen op handelen met voorkennis, en begon vervolgens een
zangcarrière waarin hij de stijl en kenmerken van Bob Dylan
overnam, om die te perverteren tot nazi-achtige hymnen ter ere van
geld en egoïsme. Voorbeeld: “Drugs stink / they make me sick /
those who sell ’em / and those who do ’em / string ’em up / from
the highest tree / without a trace of sympathy.”
Poëzie,
nietwaar?

We volgen Roberts tijdens z’n campagne, voornamelijk gevoerd vanuit
een bus die door Pennsylvania sjeest, voorzien van een uitgebreid
en hoogtechnologisch communicatiesysteem. Een documentaireploeg van
de BBC, geleid door regisseur Terry Manchester (Brian Murray),
volgt al zijn doen en laten en schildert uiteindelijk voor ons een
angstaanjagend overtuigend portret van een populist die zonder
omkijken alle sociale vooruitgang van de laatste dertig jaar teniet
zou doen om z’n eigen gewin te dienen.

Bij de release van ‘Bob Roberts’ waren er veel mensen die de film
té pamflettair vonden, overdreven in z’n liberale pessimisme over
de democratie. Ondertussen zijn we evenwel tien jaar verder, en wat
we hebben gezien, is dat een president z’n volk opnieuw ten oorlog
heeft gestuurd zonder enige reden behalve economisch gewin. In
Californië is Arnold Schwarzenegger gouverneur geworden, zonder
enige reële politieke standpunten te kunnen bieden – toen hij
tijdens een debat aangevallen werd door een ervaren politica, kon
hij enkel met een kwinkslag antwoorden: “Jij zou geknipt zijn als
terminator in ‘Terminator 4’.” En de mensen lachten, maar
ondertussen had hij de discussie ontweken. Het nieuws op CNN en
(schijnbaar, ze zijn er in ieder geval berucht voor), Fox is weinig
meer dan een spreekbuis geworden waarop politici hun zegje kunnen
komen doen zonder dat ze aan enige vorm van kritische journalistiek
worden onderworpen. Dat zijn dingen we zelfs hier kunnen waarnemen,
vanop een afstand van duizenden kilometers. Is een figuur zoals Bob
Roberts dan zo vergezocht? God weet dat we het zover niet eens
hoeven te gaan zoeken – de namen Pim Fortuyn en de verzamelde lijst
van het Vlaams Blok komen meteen in gedachten.

Robbins heeft er goed aan gedaan om de film nadrukkelijk in een
bepaalde tijd te plaatsen – 1990, een tijdperk waarin politiek
gekonkel en de belangen van de wapenindustrie doorslaggevend waren
in de beslissing om de eerste Golfoorlog te beginnen, en slechts
enkele korte jaren na de Iran-Contra affaire, waarin bekend raakte
dat de regering van Reagan wapens had verkocht aan Iran om hun
oorlog met Irak uit te vechten. De opbrengsten daarvan gingen dan
naar de Contra rebellen in Nicaragua, om de democratisch verkozen,
maar linkse president Sandinista omver te werpen. Dat was het
klimaat waarin de film werd gemaakt, en dat gevoel is duidelijk in
elke seconde ervan – het is als reactie tegen dit soort praktijken
dat de film werd gemaakt.

Het gevaar op extreem-rechtse, sloganeske politiek zonder enige
inhoud of waarde, wordt in de film direct gelinkt aan de media; aan
de manier waarop verslaggevers zich maar al te makkelijk in slaap
laten sussen en het niet meer aandurven om kritische vragen te
stellen. Natuurlijk durven ze dat niet – nieuwsuitzendingen maken
ook deel uit van de tv-maatschappij die ze uitzendt, en dergelijke
tv-maatschappijen zijn big business. En big business wil niemand
voor de voeten lopen die morgen misschien met z’n handen aan de
geldkraan zit. Doorheen de film zien we zowel integere, sterke
journalisten (voornamelijk vertegenwoordigd door Giancarlo Esposito
als Bugs Raplin, die Roberts kan linken aan drughandel om z’n
campgane te sponsoren), als van die lege,
infotainment-koppen die absoluut niets te melden hebben.
Overal zien we schermen, van tv’s, computers, monitors in
tv-studio’s… Tien jaar geleden was het ook al zo: we halen zowat
al onze informatie over de wereld uit dat kastje, en Robbins toont
dat aan door van de televisie een alomtegenwoordigheid te maken,
een tweede hoofdpersonage in de film.

Esposito vertegenwoordigt het geweten van de film – op z’n minst
één personage dat Bob Roberts doorziet voor wat hij is en althans
probeert om zich uit te spreken. Het is opvallend dat tijdens de
laatste scène waarin we Esposito zien, we een shot krijgen dat
vertrekt met de reflectie van de journalist in een tv-scherm. Maar
in zijn geval staat de tv niet aan – het is zowat het enige lege
scherm dat we tijdens de film te zien krijgen.

Tim Robbins verdient erg veel respect voor de manier waarop hij die
politieke agenda weet te verpakken in een geestige, energieke film,
die vaak hilarisch grappig is. Vooral Alan Rickman als stoïcijns,
eminent corrupt figuur-achter-de-schermen, en Ray Wise als immer
glimlachende PR-man zijn uitstekend. Bovendien weet Robbins ook
visueel interessante dingen te doen: hij verbreekt zelden of nooit
de technische mogelijkheden van een documentaire, om de illusie in
stand te houden, maar ondertussen weet hij op die manier wél shots
van drie, vier minuten lang aan te houden. Hij beweegt zich
doorheen verschillende sets, gaat weer terug en blijft de
personages volgen – en hij doet het zonder een steadicam, enkel met
een handgehouden camera. Dat moet een logistieke nachtmerrie zijn
geweest, maar het ziet er geïmproviseerd uit, spontaan. Zoals een
documentaire eruit zou moeten zien.

De boodschap van Robbins is niet altijd even subtiel – maar goed,
daar is het dan ook een satire voor. Of hij hier en daar te ver
gaat in z’n retoriek, moet ieder maar voor zich uitmaken. Maar het
zal een knappe zijn die kan ontkennen dat zijn betoog bijzonder
lucide en overtuigend is – en, met de huidige politieke situatie,
relevanter dan ooit.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier − vier =