The Green Lantern

Regisseur Martin Campbell zal waarschijnlijk
nooit helemaal uit mijn cool book verdwijnen, omdat hij
niet één, maar wel twee keer de James Bondserie nieuw leven heeft
ingeblazen. Eerst in 1995, toen hij 007 na zes jaar afwezigheid
opnieuw opvoerde in het meer dan degelijke ‘GoldenEye’; en daarna
opnieuw in 2006, toen hij Daniel Craig introduceerde in ‘Casino
Royale’, wat zonder overdrijven één van de drie of vier beste
afleveringen uit de reeks moet zijn. Haal Campbell echter uit het
keurslijf van de Bondreeks en de dingen zien er heel wat minder
rooskleurig uit. ‘The Mask of Zorro’ was nog redelijk amusant,
opvolger ‘The Legend of Zorro’ niet echt. En tussendoor kregen we
gevallen als ‘Vertical Limit’ (iemand?) en de eerste gefaalde
comeback van Mel Gibson, ‘Edge of Darkness’. Geeuw. Met ‘The Green
Lantern’, de zoveelste start up-movie van wat een nieuwe
franchise hoort te worden, bevestigt hij die trend. Het is
mogelijk dat Campbell niet de slechtste film van het jaar heeft
gemaakt (eerlijk: ik heb ‘Transformers 3’ niet gezien, maar als
Michael Bay in de competitie zit voor die prijs, ben ik altijd
geneigd om hem automatisch als favoriet te noteren). Maar ‘The
Green Lantern’ staat sowieso hoog genoteerd.

De film draait rond Hal Jordan, een testpiloot
die, omdat de clichés van het genre dat nu eenmaal dicteren, lak
heeft aan regels en rondloopt met ernstige daddy issues.
Op een nacht treft hij ergens in een uithoek van de stad een
neergestort ruimtewezen aan, dat hem een groene ring geeft. Door
die ring aan te trekken, verandert Hal op slag in één van de
green lanterns, superhelden in niet erg modebewuste pakjes
wiens job het is om het universum te beschermen van het kwaad.
Kwaad dat komt in de vorm van Parallax, een soort stofwolk met
tentakels en tanden, die van plan is om eerst de aarde te vernielen
en daarna de rest van het melkwegstelsel eens onder handen te
nemen.

Iedereen die kinderen heeft, zal het fenomeen
herkennen: op een lamme zondagvoormiddag laat je je jongste koter
een dvd uitkiezen en verdomd als die kleine niet altijd dezelfde
tekenfilm zal nemen die hij al duizend keer eerder heeft gezien.
“Waarom wil je dan geen andere bekijken?” – “Omdat ik deze al ken.”
Kinderen klampen zich vast aan al wat vertrouwd is, en keren zich
instinctief af van al wat nieuw is. Niet om de amateur-psycholoog
uit te hangen (hoewel, ondertussen doe ik het toch), maar volgens
mij raken we die reflex nooit helemaal kwijt, en verklaart dat voor
een deel het succes van dit soort superheldenfilms: er zit in ‘The
Green Lantern’ geen enkele plotwending, geen enkele scène, die
afwijkt van het standaardstramien van het genre. Er is letterlijk
geen enkele verrassing in terug te vinden. En toch scoort het. Ik
veronderstel dat we troost moeten putten uit het feit dat
Christopher Nolan nog veel sterker scoort met zijn interpretatie
van ‘Batman’, die, ondanks zijn gebreken, sowieso oneindig veel
interessanter is dan wat je hier te zien krijgt. Maar ondertussen
blijven ze gemaakt worden, en blijven ze draaien. Niet alleen de
‘Green Lanterns’, maar ook de ‘Transformers’, de ‘Thors’ en, om nog
wat dieper in het vat te graaien, de ‘I am Number Fours’ en de
‘Percy Jacksons’. Klink ik nu als een ouwe zak? Het zij zo.

Zullen we het dan maar eens hebben over de
volstrekt oninteressante personages? Ryan Reynolds liet een glimp
van zijn talent zien in ‘Buried’, maar is hier weer overgeschakeld
naar zijn typische tandpastareclame-modus. Niet dat het scenario
hem veel geeft om mee te werken, maar hij toont hier het empatisch
vermogen van een geriatrische goudvis met een verstopping. Love
interest
Blake Lively toonde in ‘The Town’ vorig jaar dat ze,
op haar betere dagen, best wel een stukje kan acteren, maar wordt
hier naar het verdomhoekje van de decoratieve deerne verwezen. En
in de bijrollen zie je, naar goede gewoonte in dit soort
blockbusters, weer heel wat goeie acteurs die cynisch hun
centen staan te verdienen. Tim Robbins staat zichzelf zichtbaar te
haten omdat hij hierin opdraaft, Angela Bassett blijkt zowaar nog
te leven (in de jaren negentig was dat nochtans een madam om
rekening mee te houden) en Peter Sarsgaard is zowaar de enige die
nog een klein beetje zijn waardigheid kan redden, met zijn rol als
de obligate getormenteerde slechterik (zo eentje die niet écht
slecht is, maar gewoon een moeilijke jeugd heeft gehad, weet je
wel?).

Wat nog het meest choqueert, is de foeilelijke
visuele stijl, die is opgetrokken uit felle primaire kleuren
(paarse mannetjes die in groene pakjes rondlopen, auch,
mijn ogen!) en CGI-landschappen die nu eens geen greintje fantasie
verraden. Zelfs in zijn – voor het overige sterk te mijden – ‘Star
Wars’-prequels wist George Lucas hier en daar nog decors te stoppen
waarvan een mens spontaan denkt: “daar wil ik naartoe op vakantie”.
Van de sets in ‘The Green Lantern’ denk je hooguit: “dat klimaat
moet zo slecht zijn voor de luchtwegen, niet te geloven”. En dàt
alles wordt u ook nog eens geserveerd in 3D – relatief gezien
veronderstel ik dat je ‘t zelfs “goeie” 3D moet noemen, omdat de
helderheid van het beeld tamelijk goed bewaard blijft, ware het
niet dat de extra dimensie de composities van de shots nog altijd
onoverzichtelijk maakt, hoofdpijn bezorgt aan de mensen die daar
aanleg voor hebben en sowieso op zijn aller-, allerbeste nog altijd
maar gewoon een goedkope gimmick is om u nog wat extra
poen afhandig te maken.

Voeg daar nog aan toe dat ‘The Green Lantern’ te
kampen heeft met alle gebruikelijke problemen van een start up
movie:
zo duurt het bijna een uur voordat de film zich
eindelijk doorheen zijn veel te gecompliceerde achtergrondverhaal
heeft geworsteld en de actie kan beginnen. Wanneer al de rest
faalt, wenden de makers zich zelfs tot een geforceerde voice over,
die geen enkel doel dient en ook geen enkel logisch narratief
standpunt bezet, maar gewoon het publiek de nodige informatie
manu militari inlepelt.

De zomer van 2011 is tot nu toe een
kwikkelseizoen geweest voor de blockbusters: ‘X-Men’, de nieuwe
‘Harry Potter’ en (vooral) ‘Super 8’ waren bijvoorbeeld erg te
pruimen popcornfilms, die het totale gebrek aan humor,
menselijkheid, intelligentie en klasse van ‘The Green Lantern’ eens
zo schraal doen afsteken. Geen enkele geloofwaardige relatie kan
het daglicht zoeken doorheen de verharde modder aan genreconventies
en braaf opgevolgde clichés. Geen enkele dialoog klinkt alsof we
twee mensen met elkaar horen praten – men dialogeert hier,
en dan nog alleen over dingen die rechtstreeks te maken hebben met
de plot. Geen enkel raakvlak met eender welke menselijke ervaring
mag blijkbaar overleven. ‘The Green Lantern’ bestaat alleen om het
makkelijkste, meest platgetreden pad te volgen naar de kassa’s. U
zou maar gek zijn om er in mee te gaan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × 2 =