Blow-Up




De film die wellicht voorgoed in het collectieve geheugen bewaard
zal blijven als “de eerste film waarin schaamhaar te zien was” (dat
van Vanessa Redgrave, om precies te zijn), hoewel u wel zéér
nauwkeurig moet kijken om het beruchte moment niet te missen. Voor
het overige was ‘Blow-Up’ voornamelijk een fenomeen van de jaren
zestig, waar tegenwoordig nog maar weinig aandacht aan wordt
besteed. Wat eigenlijk best wel jammer is, want hoewel niemand zal
kunnen ontkennen dat ‘Blowup’ onderhand een fikse knauw heeft
gekregen van de gevreesde tand des tijds, valt hier heel wat terug
te vinden om te bewonderen.

David Hemmings speelt Thomas, een volstrekt immorele fotograaf die
in het swingin’ London van de jaren zestig zowat krepeert
van de ennui. Andere mensen schijnen erg weinig voor hem te
betekenen: hij is getrouwd, maar ziet zijn echtgenote haast nooit,
hij blaft zijn modellen af en houdt nooit rekening met de mensen om
hem heen. Doorheen de hele film zien we hem bijvoorbeeld steeds
opnieuw telefoongesprekken met iemand voeren, tot er aan de deur
gebeld wordt en hij de persoon aan de andere kant van de lijn
gewoon vergeet. In een andere scène zit hij in een restaurant,
loopt hij naar buiten omdat hij een voorbijganger meent te
herkennen en hij gaat niét terug naar binnen, hij laat de andere
persoon simpelweg zitten. Thomas is een egoïstisch ettertje dat
enkel met zichzelf begaan is en pas echt de indruk geeft gelukkig
te zijn, wanneer hij alleen is. Met zijn foto’s.

Op een dag fotografeert hij een man en een vrouw in een park – de
vrouw, Jane (Redgrave), merkt hem op en eist haar foto’s terug.
Thomas weigert ze te geven, maar geeft haar zijn kaartje zodat ze
ze later op kan komen halen. Wanneer Jane terug naar haar mannelijk
gezelschap loopt, neemt Thomas snel nog een aantal foto’s.

Wanneer hij de beelden ontwikkelt, ontdekt hij echter vreemde
schaduwen op de achtergrond, en een vreemde uitdrukking op het
gezicht van Jane en de man. Hij begint één van de foto’s obsessief
steeds groter te ontwikkelen, tot hij zichzelf ervan weet te
overtuigen dat er op de achtergrond een man met een pistool
zichtbaar is. Is Thomas net getuige geweest van een moord?

Dat klinkt als de aanzet van een thriller, maar dat is het niet.
‘Blow-Up’ is een misdaadverhaal dat elke punch-line mist: aan het
einde komen we niet te weten wie het gedaan heeft – we komen zelfs
niet te weten óf er wel iets is gedaan. Thomas keert terug naar het
park in het midden van de nacht, en vindt daar effectief het
schijnbaar levensloos lichaam van de man op z’n foto’s. Maar de dag
erop, wanneer hij opnieuw gaat kijken, is het lijk weg. Ook Jane
zelf is plots nergens meer te vinden. Alle gebruikelijke antwoorden
en verklaringen die we gewend zijn te krijgen in een thriller,
blijven ditmaal uit, om plaats te maken voor iets heel anders: een
personagestudie van een immoreel man die eindelijk nog eens iets
vindt om zich over op te winden.

Thomas wordt vanaf het begin voorgesteld als een personage dat uit
pure verveling de meest schofterige dingen doet – hij vindt nergens
nog plezier in, nergens nog een uitdaging. Alles is te makkelijk
voor hem gegaan, hij heeft wat hij wilde hebben en nu heeft hij
niets meer om te bereiken. Wanneer hij begint te werken aan de
foto’s uit het park, wordt hij plots tegenover een mysterie gesteld
en dàt is wél interessant. Voor het eerst in de film zien we hem
gepassioneerd met iets bezig, hij geniet hiervan. Wie heeft de
moord gepleegd en is er sowieso wel één gebeurd? Dat zijn niet de
belangrijke vragen: welke invloed heeft dat voorval op Thomas? Dàt
is wat ertoe doet.

Antonioni gebruikt ook de gelegenheid om een aantal punten
duidelijk te maken over de relatie tussen de fotograaf en het beeld
dat hij zelf heeft gecreëerd – de uitvergrotingen die Thomas maakt
zijn uiteindelijk zo groot dat het onmogelijk wordt om nog te
herkennen waar je naar aan het kijken bent. Als Thomas dan een
schutter ziet op de achtergrond, ziet hij die dan omdat hij die wíl
zien, of omdat die er werkelijk is? Alles wat we zien is
subjectief. Dat thema wordt nog eens versterkt door de manier
waarop ook de personages de neiging hebben om plotseling te
verdwijnen, én door het einde. We bevinden ons opnieuw in het park
en we zien een aantal studenten bezig met rag week, wat
inhoudt dat de ze zich verkleden en de stad doortrekken om geld in
te zamelen voor een goed doel. Twee van hen beginnen tennis te
spelen met een imaginair balletje. Op een bepaald moment slaan ze
het balletje over het hek, en duiden ze Thomas aan om het te gaan
halen. De camera zoekt dit onzichtbare balletje in het gras, Thomas
gaat het halen en gooit het terug naar de studenten. Ziet hij dat
balletje echt? Sterker nog, kunnen wij als publiek zeker zijn dat
het er niét is? Dat zijn het soort thema’s waar Antonioni over wil
praten: subjectiviteit in de fotografie en in de cinema.

Het is interessant om op te merken hoe invloedrijk Antonioni’s film
wel is geweest – Francis Ford Coppola’s ‘The Conversation’
gebruikte in essentie dezelfde ideeën en structuur, maar dan met
geluidsmateriaal in plaats van een beeld. En Brian De Palma maakt
al z’n hele carrière lang films over de kracht van het audiovisuele
medium – heb ik dit gezien, heb ik dit niet gezien, en welk
verschil maakt het precies? Kijk maar naar films als ‘Blow-Out’,
‘Snake Eyes’ of recenter nog ‘Femme Fatale’.

In zekere zin is ‘Blow-Up’ natuurlijk verouderd: een swingende
fotograaf die naar vrouwen verwijst als ‘birds’ en dingen zegt als
‘fab’ – het krijgt al gauw iets ‘Austin
Powers’
-achtigs. Maar ook naar huidige normen blijft dit een
film die nooit verveelt en wiens ideeën nog steeds overeind
blijven. En ‘Blow-Up’ is een ideeënfilm, waarin concept en diepere
thematiek belangrijker zijn dan de plot. Dit is typisch zo’n film
die allicht enkel genietbaar zal zijn voor mensen die min of meer
serieus met het medium bezig zijn. Een occasionele filmganger zal
hier weinig boodschap aan hebben. Maar hey, het unserved
audience
mag ook wel eens iets hebben, is het niet?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × vier =