Dawn of the Dead




Hollywood zit blijkbaar zonder inspiratie. Na de remake van
The Texas Chainsaw Massacre is het
nu de beurt aan een andere horrorklassieker, het kritisch hoog
aangeschreven middenstuk van George A. Romero’s zombietrilogie dan
nog wel. Niet bepaald een goed voorbeeld. Bij The Texas Chainsaw Massacre had
debutant/videoclipfilmer Marcus Nispel de bal zo ver misgeslagen,
dat ik niet bepaald enthousiast was om dit te aanschouwen. Daar
komt nog bij dat ‘Dawn of the Dead’ een zombiefilm is. 28 Days Later was nu ook niet bepaald een
toonbeeld van hoe het moet.

Het ergste wat je met een horrorfilm kan doen, is proberen hem te
voorzien van een flinke scheut misplaatste ernst. In het verleden
is dit al vaak verkeerd afgelopen. De eveneens debuterende Zack
Snyder bezondigt zich er niet aan. Alles is zo simpel mogelijk
gehouden. Aan de ene kant heb je de zombies, levende doden wiens
enige doel bestaat uit het opjagen en aanvallen van de levenden, er
een stukje uit knabbelen en hen daarmee hun eigen trieste lot
toebedelen. Aan de andere kant heb je een groepje overlevenden die
zich hebben verschanst in een kolossale shopping mall en
noodzakelijkerwijze af en toe een zombie door het hoofd moeten
schieten.
De plotlijn van ‘Dawn of the Dead’ laat zich dan ook snel
vertellen: een virus verspreidt zich over de wereld en verandert de
mensen die eraan worden blootgesteld in vleesetende doden. Iedereen
die door deze zombies gebeten wordt, sterft aan de infectie en
wordt enkele ogenblikken later herboren als een zombie. Veel stelt
het allemaal niet voor, maar doet het er toe? Helemaal niet. Als je
een film als deze gaat bekijken, heb je op voorhand al je hersenen
in de kast gelegd.

Aan het begin van de film wordt er een beeld van het stadje
getoond. Je vliegt erover heen en ziet een ongeluk gebeuren in de
chaos die er heerst. Twee auto’s rijden op elkaar in, één ervan
wordt tegen een huis gekatapulteerd en ontploft. Niets bijzonders,
ware het niet dat het zo snel gebeurt, dat het lijkt alsof het
speelgoed is. En dan merk je voor het eerst dat deze film niet
serieus genomen wil worden, maar er enkel op uit is om je te
amuseren.
Meteen is de toon gezet: alles moet met de nodige korreltjes zout
genomen worden. De personages zijn nauwelijks uitgewerkt en worden
vertolkt door acteurs die we doorgaans op de B-roll
aantreffen. Sarah Polley, die me nochtans kon bekoren in My Life Without Me, speelt Ana, een
verpleegster. Ving Rhames duikt op als de onverstoorbare
politieagent. Geen van hen zal een blijvende indruk op je nalaten,
maar ze zullen zich ongetwijfeld geamuseerd hebben tijdens het
maken van de film. Uiteraard mocht ook het obligate huisdier niet
ontbreken. En natuurlijk moet er weer iemand zijn leven voor wagen.
Voorspelbaar tot en met, maar ik zou voor één keer teleurgesteld
geweest zijn als het er allemaal niet had ingezeten.

De echte sterren van de film zijn uiteraard de zombies. In het
origineel waren ze niet meer dan levende doden. Ze bewogen zich
nogal sloom voort. Kwamen ze op hun pad een hindernis tegen, dan
bleven ze er uren tegenaan lopen. Het minste dat je kunt zeggen, is
dat ze er in die 25 jaar op vooruit gegaan zijn. Ze zijn iets
slimmer geworden, ontwijken de moeilijkste obstakels en bewegen
zich op een ongelooflijk snelle manier voort. Het lijken wel
atleten op steroïden.
Net doordat de zombies beweeglijker zijn geworden, zit er ook meer
vaart in de film. De gevechten passeren in een strak tempo de
revue. Bij elk gevecht sneuvelt er wel een overlevende, een beetje
zoals bij de 10 kleine negertjes. Dat je nauwelijks een band hebt
met de personages, maakt dat je nog meer kan genieten van het
bloederige festijn. Is het politiek verantwoord om de overlevenden
op de zombies te laten schieten? Waarschijnlijk niet, maar als ze
uit een massa net diegene eruit kiezen die het meest op een
filmster lijkt, dan is dat plezant op een sadistische manier.

Let ook op de muziekkeuze. Normaal wordt je in dit soort films murw
geslagen met bombastische muziek, die elk moment van spanning ruim
op tijd aankondigt. Ook hier gebeurt dit wel eens, maar nooit
overdreven. Het leuke is dat er veel vaker net nièts gebeurt als de
muziek aanzwelt. Hilarisch is het echter als de protagonisten het
shoppingcentrum betreden. In plaats van onheilspellende muziek,
schalt er een vrolijk deuntje doorheen de luidsprekers. Geef toe,
het laatste waaraan je je in zo’n situatie verwacht, is ‘Don’t
Worry, Be Happy’. Als ze wat later besluiten apart op verkenning te
gaan, speelt er plots ‘Don’t Wanna Be By Myself’ op de achtergrond.
Al die kleine dingen verhogen de amusementsfactor.

Uiteindelijk mag je spreken van een geslaagde remake. Hij is
grootser opgezet en sneller dan het origineel, maar behoudt de
eenvoud. Geen poging om er meer van te maken dan hij is. “Het
publiek vindt het origineel één van de betere zombiefilms? Wel”,
moeten de makers gedacht hebben, “dan geven we hen meer en betere
zombies. Het verhaal beperken we tot een minimum, en we gaan
onszelf vooral niet al te serieus nemen.” Het resultaat van zoveel
denkwerk is een geslaagde mix tussen low budget horror en op een
breed publiek mikkend entertainment. Jawel, een blockbuster die je
zonder veel overpeinzingen kunt ondergaan en even gemakkelijk weer
van je af kunt zetten. Ik kan me ergere dingen voorstellen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 − 6 =