Aaltra




‘Wie lacht, heeft het vreselijke nieuws nog niet gehoord,’ zei
Berthold Brecht ooit. Niet bepaald een vrolijke gedachte, maar in
ieder geval optimistischer dan wat regisseurs/acteurs Benoît
Delépine en Gustave de Kervern ons komen vertellen in ‘Aaltra’:
deze soms hilarische, soms flauwe, maar altijd pikzwarte komedie
lijkt eerder van mening te zijn dat wie lacht, zich simpelweg geen
fluit aantrekt van het vreselijke nieuws. Deze zelfverklaarde “road
movie voor rolstoelgebruikers” is ongegeneerd politiek incorrect en
lapt vrolijk z’n laars aan alle conventies: waar de meeste films
vanaf de eerste minuut naar de sympathie van het publiek hengelen,
lijkt dit exemplaar je eerder uit te dagen om de hoofdpersonages
géén kleine klootzakjes te vinden. Dat is weer eens iets anders,
inderdaad.

Benoît, een soortement zakenman, en Gustave, een landarbeider,
zijn twee buren die elkaars bloed wel kunnen drinken. Wanneer
Benoît, mede door toedoen van Gustave, z’n job verliest, gaat hij
de antipathieke boer persoonlijk uit z’n dorsmachine sleuren om hem
enkele rake klappen te verkopen. Tijdens hun gevecht komt de
laadklep van de machine echter los en de volgende keer dat we beide
mannen zien, liggen ze naast elkaar in het ziekenhuis, alletwee
verlamd onder hun middel. Het eerste dat Gustave aan de
verpleegster vraagt, is of hij alstublieft een andere kamer kan
krijgen.

De twee mannen zijn alles kwijt, en wat nog het ergste is: als
rolstoelgebruikers in een wereld die niet op hen voorzien is, zijn
ze ook op elkaar aangewezen. Gustave krijgt het lumineuze idee om
de fabrikant van de bewuste machine een proces aan te smeren – de
firma Aaltra, gevestigd in Finland. In plaats van een telefoontje
te plegen naar de dichstbijzijnde advocaat, besluiten de beide
heren om persoonlijk de verantwoordelijken aan te gaan klagen.
Zonder geld en zonder bruikbare benen beginnen ze aan een lange
reis richting Finland.

‘Aaltra’ is een staaltje oversneden cynisme zoals onze Waalse
vrienden dat wel vaker produceren (het beste voorbeeld daarvan is
wellicht nog steeds ‘C’est Arrivé Près
De Chez Vous’
). Delépine en de Kervern schetsen een genadeloos
portret van een samenleving die bovenal niet lastig gevallen wil
worden met de problemen van een ander: de ambulanciers die hen naar
huis brengen, stoppen onderweg voor een frisse pint en zitten aan
de toog de voordelen van air conditioning in de gemiddelde
personenwagen te bespreken. Af en toe zien we voorzichtig een hand
omhoog reiken naar die twee andere glazen bier die naast die van de
ziekenbroeders staan. Later in de film bevinden Benoît en Gustave
zich op een motorrally, waar ze van een ex-kampioen het
vriendelijke verzoek krijgen om zich enigszins uit het zicht te
zetten, omdat ze er te deprimerend uitzien voor het gewone publiek.
Het meest frappante voorbeeld komt er wanneer de mannen aan het
liften zijn aan de kant van een autoweg: een vrachtwagen stopt
enkele meters verderop, wacht tot de beide heren naar hem toe zijn
gekard, en rijdt vervolgens steenkoud weer door. Niemand houdt
rekening met hen – op z’n best worden ze genegeerd, en anders
worden ze wel simpelweg getreirerd met hun handicap. Benoît
Poelvoorde heeft een cameo als motorfan die niet graag wordt
tegengesproken: ‘O, wat ik blij dat ik benen heb! Wat kan ik lekker
over en weer lopen, zoveel ik wil!’

Maar niet alleen gedraagt de wereld zich slecht tegenover hen,
Benoît en Gustave zelf zijn ook geen lieverdjes – als zij
vrachtwagenchauffeurs waren, zouden ze ongetwijfeld net hetzelfde
hebben gedaan als de man die hen aan de kant van de weg liet
zitten. De twee mannen zijn egoïstische monstertjes, die alleen aan
zichzelf denken. Die paar arme sukkelaars die hen dan toch willen
helpen (een Vlaams gezin op vakantie, een Australische
motorfietser), krijgen enkel stank voor dank: ze worden bestolen,
belogen en bedrogen. Leukste scène: onze helden komen terecht bij
een Duitse familie waar Benoît de batterij van het elektrische
wagentje dat hij van een bejaarde heeft gestolen (jawel) mag
heropladen. Gustave schuift doodgemoedereerd mee aan tafel en de
twee mannen vreten ongegeneerd en ongevraagd de koelkast van het
gezin leeg. Af en toe horen we Benoît op de claxon van z’n wagentje
duwen, wanneer hij een vers flesje bier nodig heeft.

Die situaties worden gortdroog gepresenteerd in lange, statische
shots: de regisseurs zetten hun camera ergens neer en laten heelder
scènes zich ontwikkelen zonder dat ding ook maar één keer te
bewegen. Aanvankelijk werkt dat misschien enigszins enerverend: we
zijn het nu eenmaal gewend om beweging te zien, dit soort van
beeldenregie vereist een andere manier van kijken – onze ogen
worden niet expliciet een bepaalde richting in gedwongen. We moeten
vaak zelf het scherm afspeuren om te kijken waar de grap zit –
wedden dat het bij een aantal mensen lang gaat duren voordat ze die
handjes opmerken die de toog op- en afglippen? Bovendien is de
humor vrijwel volkomen visueel – dialoog is schaars in ‘Aaltra’, en
wanneer er dan toch wordt gesproken, doet de tekst doorgaans weinig
om het verhaal vooruit te helpen. Wat dat betreft doet de film vaak
denken aan het werk van Tati in zijn Monsieur Hulotfilms. ‘Aaltra’
is een film om naar te kijken, niet om naar te luisteren, zoals dat
voor de meeste prenten tegenwoordig het geval is. Gedraaid in
zwart-wit, voor minder dan geen geld, weten de regisseurs niettemin
maar al te goed hoe ze een scène in beeld moeten brengen: ‘Aaltra’
werd op 2.35 widescreen gefilmd, en er wordt continu gebruik
gemaakt van de uiteinden van dat scherm. De camera beweegt niet,
maar er is verdomd goed nagedacht over de standpunten die er werden
gekozen: elke scène wordt een soort van toneelstukje op zichzelf,
waarbij elke centimeter van het beeld gebruikt wordt.

‘Aaltra’ is een film over twee klootzakken van
rolstoelpatiënten, die zich doorheen een wereld van andere
klootzakken bewegen. Mensen van goede wil zijn zeldzaam, en dienen
enkel om uitgebuit te worden. Het is niet evident om met dat
gegeven een leuke film te maken, maar in feite werkt het wel. Niet
àlle situaties zijn even geestig en uiteindelijk kun je er moeilijk
omheen dat dit een one joke-movie is, één grappig idee dat
vervolgens 90 minuten lang wordt uitgerokken. Maar gezien de korte
speelduur en het vrolijke anarchisme waarmee de makers hier aan de
slag zijn gegaan, kan dat de pret nauwelijks drukken. Weet er
trouwens misschien iemand waar ik zelf zo’n elektrisch karretje kan
krijgen?

http://www.aaltra-roadmovie.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zes + twaalf =