Seabiscuit




Gary Ross debuteerde in 1998 met het zeer mooie, zij het
enigszins geforceerde ‘Pleasantville’, een tragikomedie waarin een
dromerige blik werd geleverd op kleinsteeds Amerika, en de manier
waarop bekrompenheid en vooringenomenheid de overhand kunnen
krijgen. Met ‘Seabiscuit’ gaat de regisseur echter meer de
conventionele toer op – wég mooie, gedurfde zwart-wit fotografie,
wég liberale boodschap, het is Hollywoodtijd. Dit epos over een
jongen, een miljonair, een trainer en een paard straalt klassiek
melodrama uit van begin tot einde. Niet dat dat noodzakelijk een
slechte film oplevert, maar wie iets vernieuwends verwacht, kan
maar beter elders gaan zoeken.

Jeff Bridges speelt Charles Howard, een self-made miljonair die
zijn fortuin maakte in de auto-industrie van de twenties, maar
zware klappen te verduren kreeg na de crash van ’29. Wanneer dan
ook nog zijn zoon om het leven komt, besluit Howard zijn leven een
andere wending te geven. Hij vertrekt naar Mexico, en ontmoet daar
Tom Smith (Chris Cooper, uit ‘Adaptation’), een paardentemmer die er de
voorkeur aan geeft om zijn dieren zachtjes toe te praten, in plaats
van ze klappen te verkopen. Smith, op zijn beurt, heeft zijn zinnen
gezet op een tegendraads, veel te klein en veel te langzaam paard,
Seabiscuit, waarin alleen hij enige belofte schijnt te zien. Als
jockey kiest hij Red Pollard (Tobey Maguire), een door zijn ouders
achtergelaten jongen die in feite te zwaar is om een goeie jockey
te zijn, maar die evenzeer met Seabiscuit kan communiceren als
Smith. Met Howard als financier, besluiten de mannen hun krachten
te bundelen en het eigenzinnige dier klaar te maken voor
competitie.

Vanaf het begin is het duidelijk dat we hier met een
oerklassieke film te maken hebben: een grootvaderachtige vertelstem
levert ons de historische achtergrond voor de gebeurtenissen, met
de drie centrale figuren als archetypes van dat tijdperk. De oudere
generatie (Chris Cooper, die hier veel ouder speelt dan hij is),
die is opgegroeid zonder moderne luxe; de jongere (Jeff Bridges),
die de technologische vooruitgang met twee handen aangrijpt; en dan
nog de jongste generatie van opgroeiende mannen (Tobey Maguire),
die het allemaal zo snel nog niet weten.

In de praktijk wil dat zeggen dat de eerste veertig minuten van
‘Seabiscuit’ opgaan aan een lange geschiedenisles. Ross probeert
sfeer te scheppen met zijn in diepe kleuren gedrenkte fotografie,
en door een rustig, gecontroleerd tempo aan te houden, maar
aanvankelijk blijft het allemaal tamelijk onsamenhangend: de
verteller brengt ons op de hoogte van de grote gebeurtenissen van
die tijd, zonder dat de personages rechtstreeks betrokken lijken.
Het is pas wanneer de drie hoofdpersonen eindelijk samenkomen, dat
de film vorm krijgt, en dat het duidelijk wordt waar Ross op
aanstuurt: een zwaar symbolisch geladen drama, over hoe de oudere
en jongere generaties kunnen samenwerken om een glorieuze
overwinning te behalen. Als dàt geen mooie boodschap is…

‘Seabiscuit’ pretendeert gebaseerd te zijn op waargebeurde
feiten, maar riekt van begin tot eind naar Hollywood – een paard én
een jockey die beiden zijn afgeschreven maar onvoorstelbare
prestaties leveren, het overwinnen van tegenslagen en spot, enz…
We hebben het allemaal al eens eerder gezien, en bijster swingende
cinema levert het niet op. Ross’ beeldvoering is klassiek tot op
het randje van het saaie, en bedient zich af en toe van technieken
waar ze in de jaren dertig zelf niet vies van waren, zoals het
getroubleerde personage dat op een brug zielig gaat staan wezen, en
de stemmen van mensen uit zijn verleden hoort. Anno 2003 riskeer je
met dergelijke effecten dat je publiek in lachen uitbarst.

Ook kon Ross er niet aan weerstaan om een voor de hand liggend,
simplistisch politiek element in ‘Seabiscuit’ te werken – het
underdog-paard neemt het op tegen de raszuivere über-knol van een
arrogante zakenman van de Oostkust, een heerschap dat zijn
tegenstanders op voorhand al vierkant uitlacht omdat ze niet zoveel
geld te investeren hebben als hij. Het resultaat is dat het hele
Amerikaanse volk (op dat moment, dankzij de economische crisis,
toch al de underdog van de wereld), Seabiscuit gaat steunen, en het
paard een symbool van hoop wordt tijdens moeilijke dagen. Een
symbool voor de veerkracht van het Amerikaanse volk, zelfs, dat
financiële moeilijkheden en politieke desillusie te boven zal komen
om opnieuw te zegevieren. Gezien recentere politieke
gebeurtenissen, heeft dat soort van boodschap voor mij een ietwat
bittere bijsmaak.

Dat alles neemt niet weg dat er goed geacteerd wordt: Jeff
Bridges roept herinneringen op aan zijn eigen vertolking in
‘Tucker: The Man And His Dream’ als bevlogen miljonair, en slaagt
er zelfs in om een aantal melige speeches toch nog enige
geloofwaardigheid mee te geven. Chris Cooper en Tobey Maguire doen
hun werk prima, maar het is William H. Macy die de show steelt, als
zwierige radiopresentator. Macy is de enige in de hele film die
zich echt lijkt te amuseren, die geen behoefte voelt om van tijd
tot tijd in een loodzware monoloog over de betekenis van het leven
te vervallen – en in dit soort film is dat een behoorlijke
opluchting, moet ik zeggen.

‘Seabiscuit’ is een bewust oubollige film, en een ode – niet
zozeer aan Amerika, als wel aan het idee van Amerika als een
eendrachtig volk dat altijd wel ergens de kracht zal vinden om
verder te gaan. Uw waardering van deze film zal hoofdzakelijk
afhangen van uw tolerantie voor dat soort van sentiment. Voor mijn
part ging men echter regelmatig over de schreef wat dat betreft, en
ook voor het overige is en blijft dit weinig opwindende cinema,
zeer sentimenteel, voorspelbaar in beeld gezet en minstens een
kwartier te lang. Gaat u liever een lekkere biefstuk eten – u bent
er sneller mee klaar, en de nasmaak is beduidend beter.

http://www.seabiscuitmovie.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × vier =