Simone



117 min. / USA

Andrew Niccol is nog niet zo’n bekende naam dat zijn
nieuwe film automatisch de interesse zal opwekken van een groot
gedeelte van het publiek, maar hij is wel een reputatie voor
zichzelf aan het opbouwen. Hij was als scriptschrijver
verantwoordelijk voor ‘The Truman Show’, en overtrof zichzelf
vervolgens door de schitterende SF-film ‘Gattaca’ te regisseren.
Twee films die duidelijk in dezelfde lijn lagen: fictie versus
realiteit, en de manier waarop ons denken en gedrag gecontroleerd
kunnen worden door haast onzichtbare autoriteiten, of dat nu een
manipulerende tv-producent of een onpersoonlijke overheid is.

Voor ‘Simone’ bewandelt Niccol opnieuw hetzelfde weggetje, maar
ditmaal met beduidend minder succes. Al Pacino speelt Viktor
Taransky, een artistiek bevlogen regisseur die moeite heeft om het
waar te maken in Hollywood. Zijn “moeilijke” films scoren niet al
te best bij het publiek, en bovenal is hij het beu om zijn film en
zijn leven te moeten inrichten naar de wensen van grillige sterren.
Aan het begin zien we Winona Ryder in een bijrolletje als actrice
met kapsones: “Mijn trailer is twee centimeter lager dan die van
mijn tegenspeler,” klaagt ze. Dit soort van clichématige,
temperamentvolle figuur hebben we al eerder gezien in films die de
filmindustrie zelf willen parodiëren (denk maar aan David Mamets
‘State And Main’). Zo vaak zelfs,
dat ik me stilaan begin af te vragen of ze wel echt kunnen
bestaan.

Maar goed. Via een aan kanker stervende computerexpert (niet te
dicht bij het pc-scherm zitten), krijgt Taransky een programma in
handen waarmee hij schijnbaar moeiteloos een volkomen
geloofwaardige digitale actrice kan creëren. Ze ziet er echt uit,
ze klinkt echt, maar in feite is ze enkel een sequens ééntjes en
etjes in een harde schijf. Om zijn laatste project te redden,
besluit Taransky om Simone (samentrekking van Simulation One) tot
leven te roepen. De film wordt een enorm succes, en iedereen roemt
Simone om haar uitzonderlijke acteerprestatie, hoewel niemand haar
ooit in levende lijve heeft gezien.

Vanuit deze beginsituatie probeert Niccol een komedie te maken die
qua toon heel wat te danken heeft aan de screwball-komedies van
weleer. We zien Pacino steeds drukker heen en weer rennen tussen de
studio waarin hij zijn simulatie-pc heeft staan, en de mensen die
hij probeert te bedriegen. Naarmate de populariteit van de fictieve
actrice toeneemt, wordt het uiteraard moeilijker om de illusie nog
in stand te houden, en de manier waarop de scenarist/regisseur het
uitwerkt, is vaak maar één stap verwijderd van een deurenkomedie,
waarin pakweg de bigamist steeds uitzinniger excuses moet verzinnen
om zijn ontrouw geheim te houden, en het tijdig dichtvallen of
opengaan van een deur van levensbelang kan zijn.

Een deurenkomedie, jawel, alleen wordt ‘Simone’ nooit bijster
geestig. De oudbakken grapjes over tirannieke Hollywoodsterren
kennen we ondertussen al van buiten, en eens Simone zelf ten tonele
verschijnt, is de geloofwaardigheid vaak zo ver te zoeken dat alle
humor in de situaties erdoor ondermijnd wordt.

Een eerste moeilijk punt is dat Simone, zoals we haar zien in de
films van Taransky, niet kan acteren. We zien haar in verscheidene
zwaar emotioneel bedoelde scènes, maar al die momenten zijn melig,
zwaar op de hand en bovenal uitzonderlijk wezenloos geacteerd. Dat
zal dan wel Niccols bedoeling zijn geweest, om toch iets machinaals
in het personage van Simone aanwezig te laten, maar het verklaart
niet waarom het publiek zo wild van haar is. Nochtans een
behoorlijk belangrijke vraag.

Later in de film, met Simone als gevestigde steractrice, krijgen we
nogal voor de hand liggende vragen als: wat gebeurt er wanneer
Simone een interview moet geven? Wanneer ze een oscar wint en een
ontvangstspeech moet geven? Hoe gaat ze om met mede-acteurs in haar
films? Al deze vragen krijgen een antwoord, maar het is steeds
hetzelfde: de ver geavanceerde computertechnologie waar Taransky
over beschikt, is schijnbaar tot wonderen in staat, en biedt een
oplossing voor al zijn problemen. Niet alleen is dat nogal
ongeloofwaardig (hoe slim kàn een pc eigenlijk zijn, dit lijkt wel
het soort van spul dat ze in SF-films hebben), maar ook is het een
laffe uitweg voor een scenarist die niet de moeite wilde doen een
origineel antwoord te verzinnen. De premisse van dit verhaal bood
zoveel gelegenheid tot slimme komische situaties, maar steeds
opnieuw wordt er voor het makkelijkste antwoord gekozen.

Niccol wil duidelijk een statement maken over het gevaar van
technologie voor creativiteit, en over de steeds toenemende
phonines, de nepheid, van de industrie. Een geldig punt,
ongetwijfeld, maar ondertussen maakt hij wel een komedie die
nauwelijks originele of intelligente situaties bevat, en
conformeert hij in het komische ritme van deze film volkomen aan de
normen van élke Amerikaanse komedie: het ritme van de sitcom, met
drie grappen per minuut, die allemaal meteen een clou krijgen. Met
andere woorden: Niccol maakt een domme Amerikaanse film over domme
Amerikaanse films.

Al Pacino probeert te redden wat er te redden valt, en weet af en
toe nog een glimlach te ontlokken, hoewel het scenario dat
eigenlijk niet verdient. In een film waarin zelfs een actrice als
Katherine Keener er niet beter op vindt dan terug te vallen op
automatische piloot, durft Pacino nog op zoek te gaan naar een echt
personage (je bent method acteur of je bent het niet). Alleen
jammer dat er zo weinig te vinden is.

Andrew Niccol was – en is, veronderstel ik – een beloftevol
cineast. Laten we hopen dat dit een éénmalige uitschuiver
was.

http://www.s1m0ne.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

14 − vijf =