Catch Me If You Can

In 1997 maakte Steven Spielberg voor de laatste keer een expliciete knieval naar het grote publiek. Schijnbaar zonder dat hij daar zelf zin in had, fabriceerde hij een vervolg op Jurassic Park, om vervolgens terug te kijken naar het resultaat en te bedenken: “Nee, dat was het toch niet.” Zijn volgende blockbusters, AI en Minority Report, voorzag hij plichtbewust van belangrijke thema’s en een stevig stukje maatschappijkritiek – het leek bijna alsof hij de pure fun van ongegeneerd oliedomme actiefilms ontgroeid was en zichzelf verplichtte om er toch maar iets van meerwaarde aan te geven. Toen hij in 2002 de spectaculaire actie vaarwel zei, om het warme en eminent genietbare Catch Me If You Can te draaien, voelde je dan ook dat Spielberg zich bijna zichtbaar ontspande. Geen ingewikkelde actiescènes, geen zware inhoudelijke beslommeringen, maar een milde, tragikomische toon, een lach en een traan, en een obligaat vader-zoonverhaaltje waar hij zich op zijn gemak bij voelde.

Frank Abagnale, Jr, gespeeld door Leonardo DiCaprio, groeit op
in een schijnbaar gelukkig middenklasgezin. Zijn vader (Christopher
Walken), is een kleine, niet altijd even eerlijke, ondernemer, die
het hoofd boven water probeert te houden ondanks financiële
tegenslagen. Zelfs wanneer het gezin gedwongen wordt een kleinere
woning te betrekken, maken ze zich niet echt zorgen, want ze hebben
elkaar toch?

Niet dus. In één van de best geacteerde scènes van de film,
ontdekt Frank hoe zijn moeder er een minnaar op nahoudt – let op
het ingetogen acteren van DiCaprio op dit moment, hoe hij probeert
niets te laten merken aan zijn moeder. We treffen hier DiCaprio in de periode voor hij, in samenwerking met Martin Scorsese, zijn opgang maakte als immer intens, altijd fronsende prestigeacteur. Hij speelt hier op een ontspannen en understated manier, wat hem goed afgaat.

Anyway, het komt tot een scheiding tussen Franks ouders. Frank wordt
gedwongen tussen zijn vader en moeder te kiezen, en zet het dan
maar op een lopen. Hij heeft zich ooit al eens een week lang
uitgegeven voor een vervangleerkracht Frans, dus hij weet dat hij
een goed leugenaar is – in ieder geval als het erop aankomt de
klieren van de school te doen zwijgen. Iedereen is ergens goed in,
en Frank ontdekt dat hij een geboren bedrieger is. Hij geeft zich
tijdens de volgende vier jaar uit voor een piloot (en reist zo de
halve wereld rond), een urgentie-arts en een advocaat, en verdient
er behoorlijk zijn brood mee, ondersteund door het epidemisch
uitschrijven van ongedekte cheques. Ondertussen wordt hij echter
achterna gezeten door een FBI-groep onder leiding van agent
Hanratty (Tom Hanks), een snuggere, methodische flik, die hier voor
de grootste uitdaging van z’n leven komt te staan.

Spielberg heeft er duidelijk genoegen in de mechanismen van een
goede misleidingstruc uit de doeken te doen. Frank bluft zich een
weg tot in de cockpit van een PanAm vlucht, en niemand die er een
woord over zegt. Hij is zeventien jaar oud, maar vertelt de
openbare aanklager van de staat waarin hij zich bevindt, dat hij
zowel zijn rechtsexamen àls zijn medische studies om pediater te
worden, al tot een goed einde heeft gebracht Met veel genoegen zien
we de camera over de hotelkamers van Abagnale glijden, en we zien
hoe hij de PanAm-logo’s van modelvliegtuigjes weekt om ze te kunnen
gebruiken op nepbadges. Dat soort van details worden met veel
liefde uit de doeken gedaan. Spielberg amuseert zich met de periode waarin de film zich afspeelt – hij wentelt zich in de nostalgie naar de sexy, kleurrijke tijden van avontuurlijke piloten en hun glamoureuze stewardessen, en speelt daarmee in op een soort collectief droombeeld dat we allemaal hebben van die periode. De fotografie van Janusz Kaminski helpt daarbij: er hangt een aangename glans over de hele prent. Catch Me If You Can is één en al opgetrokken uit zachte belichting, warme kleuren en glamoureuze shots van mooie mensen.

Tom Hanks, die na ‘Saving
Private Ryan’
voor de tweede keer voor Spielberg acteert,
levert prima tegengewicht voor DiCaprio – een sullig, maar
sympathiek federaal agent met een heel eigen visie op een goeie
grap, gespeeld door Hanks als een ode aan Walter Matthau. Let maar
eens op zijn timing en lichaamstaal in sommige scènes, zoals die
waarin hij zich laat overtuigen dat DiCaprio een geheim agent is.
Je ziet zó Jack Lemmon binnenlopen om hem een cynisch terzijde toe
te snauwen.

Spielberg zou Spielberg niet zijn als hij dit verhaal niet
verbond aan bepaalde vertrouwde thema’s. Christopher Walken probeert zijn gebruikelijke tics zoveel mogelijk te laten vallen als Abagnale’s vader, wat hem slechts gedeeltelijk lukt. Het is nochtans
daar dat het hart van de film rust. DiCaprio wil immers met zijn
bedriegerstrucs enkel zijn ouders terug bij elkaar brengen, en de
financiële ondergang van zijn vader wreken. Is dat niet mooi?
Misschien is ook dit ontleend aan de werkelijkheid, maar het is sowieso iets dat de regisseur maar al te graag
zelf bedacht zou hebben, en het geeft aanleiding tot een paar
scènes die voor hem haast iconisch genoemd kunnen worden. Zoals de
ontmoeting, naar het einde van de film toe, tussen DiCaprio en zijn
jongere halfzusje, waarvan hij niet eens wist dat hij die had, door
de aangedampte vensters van een voor de kerst versierd huis heen.
Dat is zo’n moment dat met recht en rede een plaats kan innemen
tussen het vingertoppen-tegen-elkaar-moment uit ‘ET’, of het vertrek van het
ruimteschip uit ‘Close Encounters’. De vingerafdrukken van de
regisseur staan er overduidelijk op.

Je kunt het simplistisch noemen om Abagnale op die manier te
definiëren als een kind dat niet over de scheiding van z’n ouders
heen geraakte, maar dit is dan ook een simplistische film. Wanneer
DiCaprio Hanks opbelt op kerstavond in een poging een deal uit te
werken, vat Hanks heel het personage van DiCaprio samen in een
simpel zinnetje: “Je hebt niemand anders om te bellen.” En daar
moeten we het mee doen, verder reikt de karakterontwikkeling
niet.

‘Catch Me If You Can’ is een zeer luchtig tussendoortje,
professioneel gemaakt en soms heel grappig, maar wie verwacht hier
een diepzinnige studie van de geest van een bedrieger te vinden,
zal bedrogen uitkomen. Wat we wél krijgen, is een zeer eenvoudig
plezier in het filmmaken, een zichtbaar gevoel van oprechte leute
voor en achter de camera. Wat best wel aardig is.

Koppel daaraan nog een zeer mooie begingeneriek (duidelijk een
ode aan Saul Bass, de overleden meester van de mooie
begingenerieken), en eindelijk nog eens een geïnspireerde, jazzy
score van John Williams (de man heeft zijn groot orkest ditmaal
zowaar thuisgelaten, waar gaan we dat schrijven?), en u komt uit
bij een bijzonder amusante zaterdagavondfilm, die weliswaar te
lijden heeft onder de ondraaglijke lichtheid van het scenario, maar
zich daar zelf niet druk om maakt. Waarom zou u dat dan wel
doen?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × 2 =