Paul Thomas Andersons One Battle after Another verschijnt in de zalen op een moment dat de politieke implicaties van de film wel eens bijzonder gevoelig zouden kunnen liggen. Thomas Pynchon (van wie PTA ook al op briljante wijze Inherent Vice verfilmde) schreef de roman tijdens het bewind van Ronald Reagan en voorzag de Verenigde Staten daarin als een autoritaire politiestaat die onder druk staat van anarchistische actievoerders die ook het gebruik van geweld niet schuwen. Zet ook nog eens een Hollywoodster in de hoofdrol met duidelijke ideeën over ecologie (Leonardo DiCaprio), en je hebt een potentieel explosief werkstuk op een moment dat de VS ideologisch dieper dan ooit verdeeld is. Zolang dit een art house film blijft, zal het allemaal wel zo’n vaart niet lopen, maar als er een groter publiek gevonden wordt (en de producerende studio stak toch honderdveertig miljoen in de prent) riskeert One Battle after Another wel degelijk om in het oogpunt van een politieke en culturele storm terecht te komen.
Wat er ook van zij of van komt, niks van dat alles kan afbraak doen aan het feit dat Anderson Pynchons roman heeft omgesmeed tot een politiek behoorlijk complex stukje cinema. Het verhaal draait om Bob (DiCaprio) en Perfidia (Teyana Taylor) die deel uitmaken van een linkse rebellengroep die zich verzet tegen de tirannie die de VS (niet nader in de tijd gesitueerd) geworden zijn. Hun acties zijn gewelddadig en het koppel leeft onder de voortdurende schaduw van het gevat worden door nemesis Steven Lockjaw (Sean Penn). Er komt een kind van – al is het nooit helemaal duidelijk om wiens kind het nu eigenlijk gaat – en nadat Perfidia gevat wordt en namen noemt, duiken vader en dochter onder, tot zestien jaar later het verleden hen dreigt in te halen. Plots moet Bob, de blanke revolutionaire jongen die op de vraag “do you like black girls?” antwoordde met “what do you think I’m here for?” ineens een echte revolutionair worden, terwijl de strijd die er werkelijk toe doet rondom hem gestreden wordt door goed georganiseerde migrantengemeenschappen. Geen aan Zuid-Amerikaanse rebellieën ontleende wat knullige gedebiteerd “Viva la Revolución” meer, maar grimmige realiteit met levens die op het spel staan. Het blijft een satire, maar de film legt een paar pijnlijke waarheden bloot over inherente tegenstrijdigheden in linkse revoluties, iets wat nog versterkt wordt door daartegenover een psychoseksuele laag toe te voegen aan de rechtse tegenhanger.
Die verschillende lagen uit de literaire bron worden knap in de film verweven en garanderen de nodige politieke en maatschappelijke diepgang. Anderson zou ook Anderson niet zijn mocht hij rond dit alles niet een aantal adembenemende cinematografische hoogstandjes weven. Opgenomen in Vistavision is dit een film op een overweldigend canvas met een regisseur aan het roer die zich ook kan bedienen van dat canvas. Er zitten momenten van absolute grootsheid in One Battle after Another, dat valt niet te ontkennen. En toch … is het omdat een gigantisch budget toch wat meer druk legt? Is het omdat Anderson daardoor toch ietwat de voet van gas haalt? Feit is dat dit niet de delirante, bijna arrogante virtuositeit is van pakweg Inherent Vice of Licorice Pizza.
Laat ons heel duidelijk zijn: PTA in een net iets minder briljante dag, levert nog altijd cinema af die beter is dan vijfennegentig procent van het Amerikaanse filmlandschap. Bovendien zou het kunnen dat het feit dat de verzamelde pers deze One Battle after Another zo in de armen sloot, wellicht net te maken heeft met het feit dat het allemaal een heel klein beetje conventioneler en toegankelijker is en die lof valt toe te juichen. Alleen zijn we gewoon compleet weggeblazen te worden door elke nieuwe film van Anderson en zal dit keer ‘heel geslaagd moeten volstaan in plaats van ‘alweer de beste film van het jaar.’



