Derek :: Palace Of Love

Lang voor er sprake was van dEUS liepen er in Vlaanderen ook al rockgroepjes rond. Eind jaren tachtig / begin jaren negentig mocht Derek&The Dirt even van het succes proeven maar ook in mindere tijden bleef frontman Derek er voor gaan. Met The Palace of Love is hij — zij het onder verschillende vormen — aan zijn tiende plaat toe.

In 1989 begonen met Derek&The Dirt, begon Derek na de split met Weez, waarna er zes jaar Derek&Vis (met pianist Yves Meersschaert alias Vis) op volgde. Vooral in deze duo-bezetting leverde Derek enkele pareltjes af, waaronder het fel onderschatte Cabaret Sauvignon, waarin hij zijn songsmidskills paarde aan het al even klassieke chansongenre. Het leverde prachtnummers op als “Carabistouilles” en “C’est dingue”.

Na de split van Derek&Vis ging Derek solo (Met een zevenkoppige band achter zich. Het is maar hoe je het bekijkt). Vis doet nog steeds mee achter zijn piano, maar de chansons zijn opzij geschoven voor echte traditionele rockers: met het hammondorgel op volle sterkte en de harmonica stevig aangeblazen trekt hij schrijlings op een denkbeeldige motor de Route 66 af. Of dat is toch wat wij ons bij deze muziek voorstellen. The Palace of Love roept beelden op van truckers-cafés, of van born to be wild-brullende motorrijders. Tel er nog een aan Bukowski opgedragen nummer bij en een mens roept voor minder ‘Easy Rider’.

Maar dat is natuurlijk louter sfeerschepping van onzentwege. Wat de cd biedt is niet meer of minder dan eerlijke rock ’n roll van het weinig vernieuwende soort. Maar verdorie, dit soort muziek heeft ook zijn plaats. Zelfs al kunnen ook wij het niet laten de woorden vernieuwing en experiment te bezigen: elk dorp heeft zijn songsmid nodig om de feesten op te vrolijken. De vernieuwing is voor de day after, als de kater wordt uitgezweet. Dàn zetten we Radiohead wel eens op.

En een songsmid is Derek. Dat bewees hij niet alleen samen met Vis, maar ook met deze cd — waar hij duchtig put uit de jaren zeventig van The Rolling Stones, Bob Dylan en andere helden. Niet alles is even sterk, maar The Palace of Love biedt genoeg leuks om een aanschaf te verantwoorden.

Opener “Empty Shoes”, bijvoorbeeld, waarin BJ Scott al een eerste keer haar van de blues doordrenkte stem in de strijd gooit. En het daaropvolgende “To Heaven And Back” brengt ons dan wel niet onmiddellijk in de hemel, een aangename vier minuten zijn het wel. Met “Why I’m On The Run” zijn we weer helemaal mee: Meersschaert geeft alles op zijn Hammond, Derek geeft van jetje op zijn gitaar en de drummer mept er een jachtig on the road ritme uit.

Hoogtepunt is het aan Bukowski opgedragen The Loner. “He was a loner, and if you can’t read it in his lines/you were not meant to be my bride” verdedigt D’Haenens zijn held op afdoende wijze, maar daarna gaat het een beetje bergaf.

“Candle Aid” is nog wel leuk, maar “D minor no?” trapt met zijn vaststelling “some days you feel good, some days you feel bad” net iets teveel open deuren in, en daar kan dat Neil Young-gitaartje niets aan veranderen. “You told me” is daarna een heerlijke plakker waar een wettelijk verplicht minimum van één spiegelbol continu boven zou moeten draaien.

Afsluiter “Smoking the green green Grass of Home” is titelgewijs nog wel een leuke knipoog richting Tom Jones, maar een weinig interessant nummer. Of hebben we dat hammondorgel dan wel al gehoord? Misschien, maar we hebben ook heel wat aangename nummers gehoord, en dat het live kan werken hebben we op Dranouter mogen beleven. Wij beginnen toch ernstig de aanschaf van een Harley te overwegen.</b />

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × vijf =