Patti Smith :: Horses (1975)

"Jesus died for somebody’s sins, but not mine." Het is het soort zinnen waar rock ’n roll groot mee is geworden. Rock ’n roll was Patti Smith’s Horses zeker. Het debuut van de punkdichteres was zwaar beïnvloed door Baudelaire en Jim Morrisson: bezwerend en groots, meeslepend en episch.

"I’m going to get out of here. I’m getting on a bus. Go across the river. Go to New York City. Gonna be so big. Gonna be so big. Gonna be a star! Watch me now!" Al op het einde van haar debuutsingle "Piss Factory" kondigde Smith het aan: ze was gemaakt voor de rock ’n roll. Van jongsaf dweepte ze met helden als Morrisson en dode Franse dichters als Rimbaud, met wie ze een intellectuele romance claimde te hebben.

Smith hád in 1969 de bus genomen en was weggevlucht van het bandwerk in Philadelphia naar The Big Apple. Met 16 dollar op zak en de ambitie de minnares te worden van bekende kunstenaars vond ze haar eigen weg: op aanraden van vriend-fotograaf Robert Mapplethorpe begon ze haar hallucinaties te schilderen. Al snel voelde ze de nood aan meer en meer woorden: Smith werd dichteres.

Ze zocht met haar poëzie de podia op en was het voorprogramma van onder andere Warholprotégé Gerard Malanga. Daar leerde ze gitarist Lenny Kaye kennen die haar begeleidde op drie songs. Langzamerhand groeide de samenwerking uit en werd ook toetsenist Richard Sohl bij de optredens betrokken. Hun versie van Jimmy Hendrix’ "Hey Joe" met als b-kant "Piss Factory" werd een van de allereerste DIY-independent rocksingles. De groep werd de hoofdact in de erg hippe CBGB’s, waar ze in de lente van 1975 acht weken lang optraden.

Het prille Arista-label pikte Smith op en eind 1975 verscheen haar debuut Horses. De plaat sloeg in als een bom: niet alleen was een rockende dame in die tijd nog een vreemde eend in de bijt, de openhartigheid van haar teksten zorgde nog veel meer ongemakkelijk geschuifel.

Met haar bewerking van Them’s "Gloria" trapte Smith overtuigend af: het is het beginselmanifest van een eigenzinnige rockplaat die de primitieve kracht van de Stones koppelt aan het intellect en de wijdsheid van The Doors. Dat ze goed naar Morrisson heeft geluisterd, bewijst haar zin voor improvisatie en losse songstructuren. In het drieluik "Land" incorporeert ze "Land of a thousand Dances" in een negen minuten durende "post-beat poet" monoloog die niet zelden herinneringen aan "The End" oproept. De dood van Jimmy Hendrix behandelend verliest Smith zich in een "sea of possibilities" en een verhaal over een jongentje, Johny genaamd, dat zijn stembanden uithaalt. Uiteindelijk eindigt alles met "in the sheets/there was a man/dancing around/to the simple/Rock ’n roll song".

Uitzonderlijk goed gelukt is de combinatie van improvisatie en rechtoe-rechtaan rocksong in "Free Money". Smiths hoop op een beter leven stuwt voort op een primitieve pulserende beat en de venijnige rock ’n rollgitaarlicks van Leny Kaye die dankzij The Strokes nu herontdekt worden. Uitzonderlijk is hoe Smith de song brengt: net als Morrisson speelt Smith haar songs niet, ze beleeft ze. Het is punk met een arty randje: woede, maar dan stijlvol gedragen en van een intensiteit die nog steeds ongeëvenaard is.

Toepasselijk sluit Smith de cd af met haar versie van The Who’s "My Generation". Ergens in de mix zit producer John Cale te grijnzen. De oermoeder van de vrouwelijke rock heeft haar statement gemaakt en haar entréé niet gemist. In Dorsey, England zat een klein meisje met de poppen te spelen en spitste haar oortjes. Polly Jean Harvey heette ze, al zou dat later gewoon P.J. worden. Stilletjes droomde ze van een roze catsuit.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × een =