Up




De nieuwe Pixar-animatiefilm ‘Up’ is niet de beste film van het
jaar, maar als je dat zegt, moet je er meteen twee dingen bij
zeggen: 1) hij gaat waarschijnlijk wél in de top vijf van 2009
eindigen en 2) hij bevat een sequens die van absolute wereldklasse
is. De sequens is een montage aan het begin van het verhaal, waarin
we zien hoe Carl (stem van Edward Asner) verliefd wordt op Ellie,
een meisje dat hij als kind heeft leren kennen. De twee trouwen,
kopen een huisje en beginnen hardop te dromen over kinderen, enkel
om te weten te komen dat ze die niet kunnen krijgen. Ze hebben een
bokaal in hun huis staan waar ze klein geld in stoppen – ooit
willen ze met dat geld naar Zuid-Amerika verhuizen, maar het leven
komt tussenbeide. Schade aan het huis, een nieuwe auto, een
verblijf in het ziekenhuis en zo wordt de bokaal maar al te vaak
aangesproken. Toch zijn ze gelukkig, tot Ellie op een dag ziek
wordt en sterft. Carl blijft alleen achter.

Dat alles krijgen we te zien in een woordenloze sequens van zo’n
drie à vier minuten, met enkel ietwat nostalgische muziek op de
achtergrond. Het zijn drie à vier van de mooiste minuten die ik me
kan herinneren onlangs gezien te hebben. Niet alleen omdat de
animatie zo mooi is (hoewel dat zo is) of omdat de muziek, zonder
over de top te gaan, heel mooi de emoties weet over te brengen
(hoewel dat ook zo is), maar vooral omdat ze zo geloofwaardig is.
Regisseur Pete Docter weet op die luttele minuten het gemiddelde
leven wel zo’n beetje samen te vatten: je krijgt af te rekenen met
teleurstellingen, je grootste dromen komen zelden uit en aan het
einde is er de onvermijdelijkheid van de dood, maar toch is er heel
wat schoonheid en liefde te vinden. Na die paar minuten was ik
helemaal verkocht, en hoewel de rest van de film dat
duizelingwekkend hoge niveau net niet weet te evenaren, kreeg ik
daarna niets meer te zien om me van gedachten te doen veranderen:
Pixar heeft alweer een pareltje afgeleverd.

Na de dood van Ellie verandert Carl in een ietwat zure oude man
die nauwelijks nog zijn huis uitkomt. Wanneer omstandigheden hem
verplichten om te verkassen naar een bejaardentehuis, besluit hij
om alsnog te proberen zijn grote droom waar te maken. Hij laat zijn
hele huis letterlijk de lucht in gaan met behulp van honderden
ballonnen, en zet koers naar Zuid-Amerika. Waar hij geen rekening
mee had gehouden, was dat de scoutjongen Russell (Jordan Nagai) als
verstekeling aan boord zou zitten.

Tijdens de eerste helft van ‘Up’ wordt duidelijk dat Pete Docter
en co de lat alweer enorm hoog hebben gelegd – Pixarfilms hebben er
onderhand een gewoonte van gemaakt om obstakels voor zichzelf te
creëren, met premissen en/of personages die in principe kinderen
niet zouden mogen aanspreken. We kregen de Franse keuken en een
onuitspreekbare titel in ‘Ratatouille’, een weemoedig eerste half
uur zonder enige dialoog in ‘Wall-E’ en nu dus een bittere oude
man. Carl heeft veel mooie dingen in z’n leven gehad, maar toch –
ergens heeft hij het gevoel dat hij kansen heeft laten liggen. Nu
grijpt hij z’n laatste gelegenheid om toch een echt avontuur te
beleven. De eerste drie kwartier van ‘Up’ worden, ondanks de humor,
gedomineerd door dat nostalgische gevoel. Carl heeft z’n leven
eigenlijk al achter de rug, maar hij wil nog één keer tonen wat hij
waard is. Dat is geen gevoel waar kinderen zich iets bij kunnen
voorstellen, maar de makers laten zich er niet toe verleiden om
toch maar snel-snel voor een makkelijke grap te gaan of de toon van
hun film om te gooien. Ze laten die eerste helft gewoon even
marineren in z’n weemoed, en zo hoort het ook.

Daarna, eens het huis landt in Zuid-Amerika, wordt de film
conventioneler. Russell krijgt meer te doen, de twee hoofdfiguren
krijgen het gezelschap van een schattige hond en een vogel die me
vaagweg deed denken aan de flamingo’s uit Disney’s ‘Alice in
Wonderland’ en op die manier injecteert Docter meer humor en actie
in z’n film. Ik heb zo’n flauw vermoeden dat volwassenen
waarschijnlijk de eerste helft van ‘Up’ beter zullen vinden,
terwijl kinderen de voorkeur geven aan de tweede helft, met zijn
hoger tempo en zijn vrolijkere sfeer.

Niet dat die laatste drie kwartier op de één of andere manier
niet goed zouden zijn, in tegendeel. De actiescènes zijn
fantastisch in beeld gezet – met heel wat knipoogjes naar
avonturenfilms uit de jaren dertig – en de humor is soms hilarisch:
zo krijgen we een uitgebreide cast aan killer honden, die
stante pede in absolute lieverdjes veranderen als je ze een bal
toewerpt en eindelijk het definitieve antwoord op de vraag hoe je
in het oerwoud naar het toilet gaat. Het enige dat er aan
ontbreekt, is de emotionele laag die het begin wél heeft. Hoewel
zelfs die emoties hun retour maken voor de mooie eindscènes, dus
laat ik vooral niet te veel klagen.

Ook visueel hebben de mannen van Pixar van niemand nog lessen te
krijgen. De film komt zowel in 2- als in 3D uit, hoewel ik
persoonlijk nog nooit een film heb gezien waarin het gebruik van 3D
iets wezenlijks toevoegde aan een prent. Een goeie film blijft een
goeie film, een slechte blijft een slechte en bovendien is het erg
oncomfortabel om die brilletjes te moeten dragen. Het enige waar 3D
goed voor is, lijkt mij, is dat het gemiddelde Kinepolis-hellegat
een excuus krijgt om nóg meer geld te vragen voor een ticket en dat
het de makers van niet-zo-bijster-goede films (nog ‘Beowulf’,
iemand?) van een gimmick voorziet om het gebrek aan
kwaliteit te verdoezelen. Het spreekt dan ook voor zich dat uw
nederige dienaar gewoon naar de 2D-versie is gaan kijken, maar daar
heb ik alvast kunnen genieten van een weelderig kleurenpalet en
prachtig gedetailleerde animatie.

En genieten is dan ook het sleutelwoord bij zowat elke
Pixarfilm, inclusief deze: dit zijn films waar je graag
naar kijkt. Mochten alle films van dit niveau zijn, dan zou de term
movie magic niet zo clichématig klinken. Kortom: allen
daarheen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in