National Treasure :: Book of Secrets




Ik weet niet of het wel zo’n goed idee was van Steven Spielberg
om bijna twintig jaar na ‘Indiana Jones and the Last
Crusade’
zijn beroemdste held nog eens van stal te halen. De
door nostalgie gedreven verwachtingen gaan wellicht zó enorm hoog
zijn, dat de nieuwe Indyfilm alleen maar een teleurstelling kan
worden. Maar toch kun je niet ontkennen dat de lange afwezigheid
van the man with the hat een leegte heeft achtergelaten,
die mindere goden van de filmwereld al dikwijls hebben proberen te
vullen. Denk maar aan de ‘Tomb Raider’-films (of
nog beter: doe dat niét), en vooral aan ‘National Treasure’, een
pedante, strontvervelende rip-off van Spielbergs films,
die suffe actie combineerde met misplaatste geschiedenislesjes.
Nicolas Cage liep zichzelf een liesbreuk van de éne historisch
verantwoorde plek in de VS naar de andere, ontcijferde er op ruwweg
twintig seconden tijd een raadsel dat al honderden jaren lang lag
te wachten, en pauzeerde vervolgens om naar aanleiding van niks
bijzonders het leven van Benjamin Franklin in alle details na te
vertellen, inclusief de locatie van zijn vergulde bedpan. Lachen,
gieren, brullen, maar het bracht wél geld op. En hier zijn we dus
met deel twee, ‘Book of Secrets’, een film die zo absurd is dat
zefs Ingeborg er geen hol van gelooft.

Het verhaal grijpt terug naar de moord op Abraham Lincoln in
1865. Volgens de legende waar deze film op drijft, was een
broederschap van geconfedereerde soldaten, de Ridders van de Gouden
Cirkel, op zoek naar een verloren stad van goud. Met dat goud
wilden ze, allicht na de moord op Lincoln, de zaak van de
zuidelijke staten alsnog winnen. De over-overgrootvader van Ben
Gates (Nicolas Cage), werd gedwongen om een raadsel te ontcijferen
dat leidde naar de Gouden Stad, maar offerde (nobele Amerikaan die
hij was) zijn leven op om het raadsel te verbranden. De moordenaars
van Lincoln werden gepakt en geëxecuteerd en de Gouden Stad bleef
onontdekt. Tot honderden jaren later plots vanuit het niets Mitch
Wilkinson (Ed Harris) opduikt, die beweert dat de voorvader van
Gates eigenlijk mee in het moordcomplot zat. Ben wil zijn
familienaam natuurlijk veilig houden, en dat kan hij maar op één
manier: hij moet bewijzen dat de Ridders van de Gouden Cirkel
inderdaad naar de stad van goud op zoek waren, door ze zelf te
vinden.

Aandachtige kijkers kunnen opmerken dat zelfs met het vinden van
zo’n stad nog steeds niets bewezen is: de opa van Ben Gates kan
perfect mee in het complot tegen Lincoln hebben gezeten, of de
Gouden Stad nu bestaat of niet. Maar ‘National Treasure: Book of
Secrets’ is geen film voor aandachtige kijkers. Wel integendeel.
Regisseur Jon Turtletaub vuurt twee uur lang absolute,
gepatenteerde nonsens op zijn publiek af, alsof hij bewust wil
testen hoe ver hij kan gaan vooraleer hij zelfs de minst
veeleisende kijkers is kwijt geraakt.

Dingen die je kunt leren uit ‘Book of Secrets’ zijn
bijvoorbeeld: a) het is perfect mogelijk om met een MacBook in een
kwestie van minuten het beveiligingssysteem van Buckingham Palace
én de mainframe van de Londense politie te hacken (denk dààr maar
eens over na, de volgende keer dat u met uw laptop geen
internetverbinding kunt maken); b) als je het Oval Office in het
Witte Huis op je gemakje wilt onderzoeken, volstaat het om aan een
security-agent vriendelijk te vragen of je daar even mag
rondkijken; c) als je het verjaardagsfeestje van de Amerikaanse
president wilt crashen, moet je gewoon een smoking aandoen
en er binnenstruinen alsof je er thuishoort – niemand zal je
tegenhouden; d) daarna is het een eitje om die president te
ontvoeren en hij zal het niet eens erg vinden – de prez is
een toffe pee, weet u wel; e) als een hele garde FBI-agenten naar
je op zoek is, steek jezelf dan even weg onder zo’n doorzichtig
ijzeren trapje – niemand zal je zien zitten.

En zo gaat dat door, inclusief een finale waarin blijkt
(spoiler, spoiler!) dat de Gouden Stad zich onder Mount Rushmore
bevindt. Dat is natuurlijk allemaal strikt geheim en niemand weet
daarvan, wat meteen een beeld bij mij opriep van een arbeider die
destijds Mount Rushmore heeft helpen maken, ’s avonds thuiskwam en
niét tegen zijn vrouw zei: “Schat, weet je wat we nù onder onze
werf hebben gevonden?!”

Ach ja, je hoeft het me niet te vertellen: in dit soort films
moet je niet op zoek gaan naar plausibiliteit, het is allemaal maar
als amusement bedoeld. Maar er zijn grenzen. Neem nu de ‘Indiana
Jones’-films waar ‘National Treasure’ zo
duidelijk naar teruggrijpt: daar klopte in feite óók niks van, maar
Spielberg zorgde er wel voor dat zijn verhaal meeslepend bleef. De
actie was opwindend en de evolutie van het verhaal verliep volgens
een soort interne logica die je toestond om er in mee te gaan.
Terwijl je keek, leek het te kloppen. Het was pas achteraf dat je
je afvroeg: “Hey, waarom waren nazi’s eigenlijk op zoek naar een
joods relikwie zoals de Tien Geboden?” ‘National Treasure’ is
daarentegen simpelweg bespottelijk, nog terwijl hij bezig is. Er
kan geen scène passeren zonder dat je met je ogen rolt of (in het
beste geval) eens gniffelt omdat het zo volstrekt debiel is. De
film probeert nochtans, net als z’n voorganger, in te spelen op de
populariteit van wereldwijd vertakte conspiracy theories –
als ‘The Da Vinci
Code’
wel eens ‘De Naam van de Roos’
for dummies werd genoemd, dan is ‘National Treasure’
ongetwijfeld ‘The Da
Vinci Code’
for retards.

Een groot deel van het probleem is dat er maar weinig
fatsoenlijke actiescènes in de film zitten. Cage en co rennen van
hot naar her, maar er gebeurt onderweg maar weinig dat je hartslag
de hoogte in zou kunnen sturen. Een autoachtervolging in Londen is
nogal flauwtjes uitgevoerd, en daarna is het lang wachten vooraleer
er nog eens echt schot in de zaak komt. De finale is iets beter,
met een goed uitgewerkte scène op een wankel plateau dat elk moment
in een afgrond kan storten, maar zelfs dat blijft vijgen na
pasen.

Net als in de eerste film is er overigens geen overtuigende
schurk. Slechteriken in dit soort films moeten gewoon evil
zijn, ze moeten heavy motherfuckers zijn die voor niks
terugdeinzen. In de eerste ‘National Treasure’
trapte Sean Bean het om onverklaarbare redenen ineens af voor de
finale, en hier krijgen we Ed Harris (die nochtans goed is in het
spelen van slechteriken), als schurk die al bij al nog zo’n kwaaie
niet is. Nee, écht, diep van binnen valt hij best mee. Het gevolg
is dat er nauwelijks urgentie achter de plot zit, niks dat het
verhaal drijft, behalve dan de wens van het hoofdpersonage om te
bewijzen dat een man die hij nooit heeft gekend écht wel een
Amerikaanse held was. (En geloof maar dat Amerikaanse helden hoog
aangeschreven staan in ‘Book of Secrets’ – ik heb zelden zo’n
gruwelijke America, fuck yeah-productie gezien.)

Het spreekt haast voor zich dat de cast verloren loopt in zo’n
film. Nicolas Cage, Jon Voight, Ed Harris en Helen Mirren vormen
een mooi lijstje, met Diane Kruger erbij als window
dressing.
Maar omdat ze schijnbaar echt niet weten wat ze
anders met dit pathetisch excuus voor een script zouden moeten
aanvangen, schmieren ze dan maar allemaal een eind weg. Van Cage
zijn we dat al een beetje gewend, maar het is Jon Voight die
nieuwe, onverkende toppen van hilariteit scheert met zijn bizarre
vertolking.

Meer dan ooit zit ik te hopen dat Spielberg met zijn vierde
‘Indy’-film de geest van zijn voorgangers opnieuw weet te vatten.
Puur amusement dat misschien onnozel is, ja, maar dan wel op een
plezierige, licht-ironische manier. Wanneer ‘National Treasure’ het
hedendaagse equivalent moet voorstellen van de Indyfilms, is het
immers hoog tijd dat die oude knar met z’n hoed en z’n zweep nog
eens toont wat een échte avonturenfilm is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in