The Return




83 min.

Elk decennium heeft zo z’n eigen trends – blockbuster
cinema
in de jaren tachtig, serial killer movies in
de jaren negentig, noem maar op. Het is nog vroeg om al conclusies
te trekken over de eerste tien jaar van de 21ste eeuw,
maar één rage die we al zeker in onze notaboekjes kunnen schrijven,
is de Japans geïnspireerde horrorfilm. Sinds Gore Verbinski in 2002
‘The Ring’
maakte, gebaseerd op ‘Ringu’ van Hideo Nakata,
hebben we elk jaar minstens één suggestieve thriller gekregen,
waarin figuren plots in televisies, spiegels en douches opdoken,
vergezeld door een stevige stoot dzjaaaang!-muziek.
‘The Ring’ kreeg
een vervolg, evenals ‘The Grudge’, en daarna
kwam er nog ‘Dark
Water’
(verreweg de beste film uit die reeks). Remakes van
Japanse horrorfilms waren heel even bijzonder hot, maar
koelden gaandeweg af naargelang er meer van gemaakt werden. Steeds
meer kwamen mensen tot de conclusie dat al die sfeerschepperij en
al die boe-effecten uiteindelijk maar weinig nut dienden. Dat elke
volgende film opvallend op de vorige leek en dat de verhaaltjes
niet zo veel voorstelden (hoewel ik blijf volhouden dat ‘Dark Water’ een
uitzondering op die regel was). Met ‘The Return’ lijkt het dat we
de grafrede van deze eerste duidelijke trend van de nieuwe eeuw
kunnen opmaken. De film is dan niet rechtstreeks gebaseerd op een
Japans origineel, maar tapt zó nadrukkelijk uit hetzelfde vaatje
als ‘The Ring’ en
‘The Grudge’ dat
het eigenlijk geen verschil meer uitmaakt. En wat blijkt? De
tegenvallende resultaten van ‘The Grudge 2’ worden
hier lijnrecht doorgetrokken: de critici kraakten de film (voor
zover ze al de moeite deden ernaar te gaan kijken), en het publiek
bleef weg. Na een Amerikaanse release in november 2006, wordt de
prent bij ons meer dan een jaar later zonder al te veel poespas
alsnog in de zalen gedumpt.

Sarah Michelle Gellar (wiens aanwezigheid het gevoel van déjà-vu
niet echt uit de wereld helpt) speelt Joanna Mills, een verkoopster
die vaak op de baan is en dan ook praktisch in haar pick-up woont.
Op een dag moet ze voor zaken in de buurt van haar geboortestadje
in Texas zijn – een plek waar ze liever niet naar terugkeert, omdat
ze slechte herinneringen aan haar jeugd bewaart. Naarmate ze het
dorp nadert, blijkt er inderdaad iets vreemds aan de gang te zijn:
de radio speelt steeds hetzelfde liedje, Joanna ziet autowrakken
die er niet zijn, in de spiegel ontdekt ze plots het gezicht van
een andere vrouw en ze heeft hallucinaties van een café waar ze
nooit geweest is. Langzaam maar zeker begint ze te vermoeden dat ze
indrukken krijgt van (en daar mag gerust een onheilspellend
muziekje bij) kwaad uit het verleden.

De gebruikelijke ingrediënten van Japans aandoende “kinderen
toegelaten”-horror zijn weer aanwezig: de personages lopen door
duistere gangen, mysterieuze figuren duiken plotseling op om
vervolgens weer even snel te verdwijnen en radio’s spelen
hardnekkig hetzelfde liedje, wat je ook doet. Het is alweer
dezelfde keurig opgepoetste pseudo-horror die ontworpen is om jonge
tieners met hun eerste liefje naar hun eerste scary movie
te kunnen laten gaan. Bloed of echt angstaanjagende situaties zijn
nadrukkelijk afwezig om de baan te ruimen voor het éne schrikeffect
na het andere. Net als ‘The Ring’ en ‘The Grudge’ is dit
horror voor de kids – het is eng, ja… Maar een beetje
eng. Vooral niet té. Het is horror, ja… Maar een beetje
horror.

Natuurlijk is er op zich niets mis mee om te rekenen op sfeer in
plaats van op gore. Er hoeft helemaal geen bloed of bruut
geweld in een griezelfilm te zitten om griezelig te zijn, maar als
je dan toch mikt op een unheimliche sfeer om de klus te
klaren, dan kun je er maar beter voor zorgen dat het allemaal
ergens toe leidt. En dat is hier niet het geval. Sarah Michelle
Gellar loopt door haar onheilspellende gangen, ze huurt een kamer
in een hotel dat er uitziet alsof Norman Bates er de vloeren komt
dweilen, ze ziet figuren in haar spiegels en achter zich in de
auto, ze doet al die dingen die mensen doen in een beetje
horrorfilm. Maar meer dan een uur lang zit je te wachten op een
clou die, wanneer ze dan toch komt tijdens de laatste tien minuten
van de prent, je achterlaat met een zwaar gevoel van “is het dàt
maar?”. Regisseur Asif Kapadia zet de éne langzame, suggestieve
suspensescène achter de andere, maar wanneer het tijd is voor de
pay-off, laat hij het jammerlijk afweten.

De extreem vaag uitgewerkte personages helpen daarbij niet. Van
Joanna was het mij nooit helemaal duidelijk wàt ze precies verkocht
(maar dat kan ook aan mij hebben gelegen), haar relatie met haar
vader wordt nog niet voldoende uitgespit om ook maar de kleinste
regenworm aan interessante informatie tevoorschijn te halen, en wat
meer is… Sarah Michelle Gellar als een Texaanse? No way in
hell.
Naast haar loopt (af en toe dan toch) het ex-vriendje
dat haar tegenwoordig stalkt, maar die na pakweg een half uur
simpelweg uit de film verdwijnt omdat het script hem niet meer
nodig heeft. En als love interest (enfin, een beetje
love interest,
niet te veel) krijgen we Peter O’Brien als
Terry Stahl, de aantrekkelijke outcast van het stadje.
O’Brien krijgt niet veel te zeggen, maar heeft als voornaamste
functie om er ruig uit te zien – een man met een verleden. Nochtans
zijn de jaren schijnbaar goed voor hem geweest; we krijgen hem ook
te zien in flashbacks naar 14 jaar geleden, zonder dat hij er een
dag jonger uitziet. Je moet het maar doen. Zoals wel vaker in dit
soort films, zijn de personages enkel noodzakelijke kwaden waar de
regisseur niet omheen kon. Het zou dan ook niet fair zijn om de
schuld op de acteurs af te schuiven.

Met ‘The Return’ lijken veel mensen een punt van verzadiging met
dit genre bereikt te hebben. De extreem negatieve ontvangst ervan
is gedeeltelijk te wijten aan z’n voorgangers. Het publiek is het
gewoon beu geraakt, al die ‘Grudges’ en ‘Rings’, al die flauwe
“we-suggereren-het-wel-maar-we-tonen-het-lekker-niet”-griezelfilms.
Let’s face it, het echte horrorpubliek zit tegenwoordig
aan de heavy shit, met ‘Saw’ en ‘Hostel’ – je gaat van
die mensen toch niet verlangen dat ze ineens schrik krijgen van een
dichtvallende deur of een verschijning in een hotelkamer? Bad
timing
en het feit dat ‘The Return’ op het einde van een
vervagende rage langskwam, hebben zeker meegespeeld in het
financiële falen ervan. Als film is ‘The Return’ niet slechter dan
‘The Ring’, en
beter dan ‘The
Grudge’
. De cinematografie is in orde (check het gebruik van
kleuren tijdens de finale en in de allerlaatste scène!) en goh ja,
hier en daar schrik je wel eens even. Maar het is een zoveelste
identiteitloze intrede in een uitstervend genre, dat niks tastbaars
kan aanbieden om zich te onderscheiden of zelfs maar specifiek
boeiend te wezen. In Piet Huysentruyt-termen: de mayonaise pakt
niet.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig + 7 =