Manon des Sources


Het is tien jaar later en de dorpelingen die we voor het eerst
tegenkwamen in Claude Berri’s ‘Jean de
Florette’
, keren terug met een extra laag make-up op hun
gezicht om de tussenliggende jaren te suggereren, maar met nog
steeds dezelfde mentaliteit: ons kent ons. Mensen van buiten het
dorp kunnen we niet gebruiken. Voor veel mensen is ‘Manon des
Sources’ de betere film van de twee – hoewel ik nog altijd de
voorkeur geef aan de gedachte dat dit in feite één lange prent is
die in twee delen werd uitgebracht. Misschien heeft die voorkeur
voor dit sluitstuk iets te maken met het gevoel van gerechtigheid
dat van de verhaallijn uitstraalt – ‘Jean de Florette’ eindigde met
de dood van de held en de triomf van de schurken. In dit tweede
deel van Marcel Pagnols verhaal over boerenintriges in de Provence,
krijgen de boosdoeners eindelijk hun verdiende loon.

Tien jaar na de dood van Jean, gaan de zaken goed voor Ugolin en
zijn oom César ‘Papet’ Soubeyrans. De bron die ze voor Jean
verstopt hadden, zorgt nu voor een bloeiende anjerkweek – we zien
Ugolin met blinkende oogjes z’n goudstukken in een potje wegbergen.
De andere dorpsbewoners weten wat er gebeurd is, of ze hebben in
ieder geval sterke vermoedens, maar haast niemand durft er iets van
te zeggen. Wanneer één van hen betekenisvol aan Ugolin vraagt of
hij veel anjers verkoopt met allerzielen, antwoordt deze: ‘Jaja…
De doden brengen goed op.’

Manon, de dochter van Jean, is ondertussen opgegroeid tot een
tiener met het uiterlijk van Emmanuelle Béart, die op het land van
haar vader is blijven wonen en werkt als geitenhoedster. Ugolin,
die steeds meer door z’n oom onder druk wordt gezet om voor een
nageslacht te zorgen, laat een oogje op haar vallen en besluit om
zich in z’n beste pak te steken en haar ten huwelijk te
vragen.

Ondertussen echter, heeft Manon een gesprek gehoord tussen twee
andere dorpelingen, waarin ze de kwestie van de bron bespreken –
voor het eerst komt ze te weten wie er echt verantwoordelijk was
voor de dood van haar vader. Uit wraak besluit ze hen een koekje
van eigen deeg te geven – ze sluit de bron af die het dorp van
water voorziet.

Opvallend is dat, waar Ugolin en vooral Soubeyrans zelf in de
eerste film werden voorgesteld als archislechte boosdoeners die
enkel op hun eigen gewin uitwaren, er in ‘Manon des Sources’ een
zekere nuancering wordt toegevoegd. Ugolin (nog steeds een
uitstekende Daniel Auteuil), was in ‘Jean de Florette’ al enigszins dubieus in
z’n gevoelens voor z’n buren – hij kon die bochel uit de stad best
wel lijden, maar z’n eigen hebzucht en vooral het gemanipuleerd van
z’n oom dwongen hem om Jean toch de vernieling in te helpen. Hier,
in het tweede deel, wordt de tragiek van zijn personage nog dikker
in de verf gezet – bovenal is Ugolin een enorm eenzame man, die – u
gelooft het nooit – eigenlijk alleen maar graag gezien wil worden.
Ook Soubeyrans zelf krijgt hier voor het eerst een extra dimensie.
Hij handelt ditmaal ook eens een keer uit overwegingen die niet
uitsluitend zelfzuchtig zijn – bepaalde onthullingen naar het einde
van de film geven zijn personage zelfs een soort van
onuitsprekelijke tristesse mee. Die extra laag, die
genuanceerdheid, werkt duidelijk in het voordeel van ‘Manon des
Sources’ – veel meer dan Manon hen ooit zou kunnen afstraffen door
hun water af te pakken, straffen Ugolin en Soubeyrans zichzelf met
hun plotse spijt over het verleden. Het idee schijnt te zijn dat
misdaad wel degelijk loont. Maar dan mag je wel nooit terugkijken,
nooit een tweede keer nadenken over wat je hebt gedaan.

Een gevoel van nostalgie overheerst ‘Manon des Sources’ –
personages keren terug naar het verleden en trekken hun conclusies,
en ook de film zelf vertoont regelmatig echo’s van wat we hebben
gezien in ‘Jean de Florette’.
Natuurlijk krijgen we in de eerste plaats een plotwending rond een
waterbron die bewust wordt afgesloten en de mensen die ervan
afhankelijk zijn, in wanhoop achterlaat. De meest memorabele scène
in ‘Jean de Florette’ betrof Gérard
Depardieu die wanhopig z’n veld opliep en naar de hemel schreeuwde:
‘Weet U wel dat ik gebocheld ben? Denkt U soms dat dat gemakkelijk
is? Laat het dan regenen!’ Ditmaal zien we Ugolin bidden om de bron
opnieuw te doen lopen – hij is het schijnbaar niet gewend om ergens
voor te bidden en sluit dan ook af met de onsterfelijke zin:
‘Alors, amen, nom de Dieu!’ Maar ook andere thema’s uit de
eerste film komen terug, in een andere vorm en met andere
nadrukken.

Neem bijvoorbeeld de clash tussen de stad en het plattelandsleven.
In ‘Jean de Florette’ werd Jean
vierkant uitgelachen met z’n moderne technieken. Ditmaal komt een
vertegenwoordiger van de overheid een aantal oplossingen suggereren
voor het watertekort, en die grootsteedse, technologische ideeën
kunnen niet snel genoeg geaccepteerd worden. ‘Ik bied zo honderd
franc aan voor de vooruitgang,’ roept Ugolin zelf. Nu willen ze
wel.

‘Manon des Sources’ ziet er nog altijd even zinderend mooi uit als
z’n voorganger en de acteurs staan nog altijd even doorleefd te
acteren. Inhoudelijke draden worden netjes aan elkaar geknoopt en
op die manier krijgen we een meer dan passend einde aan het
verhaal. Maar met al dat was er toch iets dat – voor mij althans –
in de weg stond van de film. Zo krijgen we op het einde een lange
monoloog van een personage dat we nooit eerder hebben gezien, en
die even de hele achterliggende plot komt uitleggen. Niet alleen
valt de film voor bijna tien minuten lang dood neer tijdens die
scène (we zien enkel twee mensen op een bankje zitten en de plot
expliqueren), maar ook komt zo’n verhaaltechniek behoorlijk
geforceerd over. Het verhaal is bijna ten einde, er zijn nog een
aantal dingen die de kijker/lezer dient te weten, dus hoe lossen we
dat op? We introduceren gewoon in extremis nog een personage dat
het ons simpelweg allemaal van a tot z uitlegt. Ik kan mij
inbeelden dat dat een probleem is dat al bestond in de roman, maar
met een paar creatieve scenario-ingrepen had Berri dit ongetwijfeld
kunnen vermijden. Ook miste ik de energie die Depardieu naar de
eerste film bracht – ‘Manon des Sources’ lijkt meer te kabbelen dan
z’n voorganger, aan een rustig tempo. In essentie deed ‘Jean de Florette’ dat ook, het tempo van
het scenario lag net even laag, maar Depardieu bracht er zoveel
levenslust naartoe dat die film voorbij leek te vliegen.

Niettemin blijven beide films pal overeind staan als
schoolvoorbeelden van wat goeie cinema kan zijn. Nu nog proberen om
dat harmonicadeuntje uit m’n kop te krijgen…

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in