De Wu-Tang Clan is al lang niet meer nuthin’ ta fuck with. Toch willen ze met hun afscheidstournee nog een keer het tegendeel bewijzen en op zondagavond grijpen ze het publiek in de Brusselse ING Arena bij momenten genadeloos bij de strot.
Weet u nog waar u was op zaterdag 3 juli 2004? Ik wel. Beetje random datum? Voor mij niet. Sindsdien zijn mijn dromen met de regelmaat van de klok geteisterd door de haarscherp afgetekende verontwaardiging en ontgoocheling die ik voelde na het compleet ongeïnspireerde en ronduit lamlendige optreden van de Wu-Tang Clan op Werchter die namiddag. Een hart gebroken en een nimmer opnieuw aangedurfde confrontatie om de brokken te lijmen tussen fan en ex-helden hield twintig jaar stand. Nu de Wu er na de afscheidsplaat vorig jaar met een afscheidstournee de boeken toe doet, is het de laatste kans op Wiedergutmachung en het is met een klein hart dat ik vanavond naar Brussel trek. Dik twee uur later kan ik echter opnieuw met opgeheven hoofd lopen pronken in mijn Wu-Tang-shirt. Het vertrouwen is hersteld.
Het verschil zit in de bevlogenheid, de goesting waarmee deze seriewoordenaars bereid zijn om hun bars neer te leggen. En dat zit vanavond meer dan snor. Alle levende clansleden tekenen vandaag present (en dat is ook niet vanzelfsprekend) in deze zeer slim uitgekiende show van meer dan 30 (!) nummers, waarbij hoofdzakelijk gegraaid wordt uit de groeps- en soloprojecten uit die gouden periode 1993-1997.
De start is alvast verschroeiend. Na het dramatische neervallen van die gigantische backdrop met dat iconische vleermuislogo volgt een opeenvolging van – even ademhalen – “Bring Da Ruckus”, “Clan In Da Front”, “Da Mystery Of Chessboxin’”, “Wu-Tang Clan Ain’t Nuthing Ta F’ Wit”, “Method Man”, “Shame On A Nigga” en “Protect Ya Neck”. Als het hierna al gedaan was geweest, hadden we nog blij en met al schorre stem naar huis gereden. Stuk voor stuk motherfuckers van anthems waarbij elk van de clanleden om beurt op komt om met gusto zijn moment in de spotlight te claimen. Dat Ol’ Dirty Bastard dood is, blijft natuurlijk doodjammer, maar deze slimme ondernemers vervangen hem door zijn zoon – heel fijnzinnig Young Dirty Bastard gedoopt – die de eigenheden van zijn vader schaamteloos moet kopiëren. Hij komt er nog wonderwel mee weg ook. GZA lacht breed en oprecht bij zijn opkomst tijdens “Ruckus” en werkt zijn solomomenten verderop af met een vlijmscherpe efficiëntie. Keerzijde is dat koortsdromen als “Liquid Swords” of “Duel Of The Iron Mic” later in de show wat zakelijk en kil zullen aandoen. De uitstekend verzorgde en sfeervolle visuals switchen de hele show tussen pseudo-mythologische kungfu-beelden en korrelige VHS-beelden van de jonge clan – nostalgie is een krachtig beestje, maar nergens meer gepast dan op een afscheidstournee. Method Man is cheeky als altijd, Raekwon en Ghostface zijn nog steeds een onafscheidelijk duo. Nummer per nummer wordt de lat hier telkens weer Mondo Duplantis-gewijs opgeschoven en rijst de vraag of ze dit nog lang kunnen volhouden.
Niet dus. Dat is niet onlogisch wanneer het middelste deel is gewijd aan de verschillende solo-albums van de leden – stuk voor stuk solide werkstukken, maar onvermijdelijk verslapt de aandacht. Het publiek luistert eerder dan mee te rappen, de smartphones worden bovengehaald om berichten te checken en niet om te filmen. Het is de meegereisde Havoc van Mobb Deep die met “Shook Ones (Part II)” opnieuw schokgolven van een furieus enthousiasme de zaal instuurt. Helpt ook niet voor de vaart in de set: de vreemde reclames over computergames, films en docu’s die de set helemaal in stukken kappen. Smerig en underground is de Wu uiteraard al dertig jaar niet meer, hier staat het rapestablishment. Corporate heren die hier vanavond ook zijn om zoveel mogelijk merch te verkopen. RZA denkt zelfs aan de stijlvolle straatwerkers en havenarbeiders onder ons door hun uniform in een stijlvolle Wu-versie te dragen – compleet met reflectorstrips.
Waarom zijn we dat dan alweer vergeten wanneer we uiteindelijk uit de wietwalmen weer de frisse lucht in stappen? Omdat op het einde de clanleden toch weer allemaal samen op het podium verzamelen voor een eindsprint die begint met “Reunited” en via “Shimmy Shimmy Ya” en “Got Your Money” eindigt bij een massaal meegezongen “C.R.E.A.M.” en succulent haasje-over gerapt “Triumph”. Het is in die posse-cuts dat de briljant van de Clan ligt te glinsteren. Ze hebben elkaar nodig om samen het beste in zich naar boven te halen – als het niet zo verdomd cliché zou zijn, zouden we hier een conclusie over ‘chemie’ en ‘som der delen’ als uitgeleide aan breien.
Objectiviteit van recensenten wordt overschat. Ondanks alle overduidelijke minpunten en makkelijk te bespotten potsierlijkheid (die witlederen jas van RZA had zoveel pailletten dat zelfs Michael Jackson eerder terughoudend zou hebben gereageerd) bracht de Wu wat van hen verwacht werd: bij momenten topentertainment en onversneden vakmanschap. Mijn dromen zijn gered.



