Mary Bronstein is niet meteen een bekende naam. Noch als actrice (ze treedt hier ook zelf aan), noch als cineaste, heeft ze al een lange staat van dienst. En toch wist ze zich met haar tweede langspeler, het in ieder geval opvallend betitelde If I had Legs I’d Kick You, behoorlijk in de kijker te werken: Zilveren Beer in Berlijn en een Oscarnominatie voor hoofdrolspeelster Rose Byrne – vooral bekend uit flauwe komedies – als kers op de taart.
Het door Bronstein zelf gepende script draait om Linda (Byrne), een therapeute die worstelt met de stofwisselingsziekte van haar jonge dochter (die in een slimme zet voortdurend buiten beeld blijft), een aandoening die sondevoeding vereist en behandeling in een gespecialiseerd centrum. Linda verliest zich in alcoholmisbruik en af en toe een joint, wat de omgang met haar patiënten bemoeilijkt en de gesprekken die ze zelf heeft met een collega-psychiater (oud talkshow presentator Conan O’Brien). Haar echtgenoot (Christian Slater) is kapitein op een schip en probeert zo goed en zo kwaad mogelijk zaken te regelen vanop afstand, ook wanneer plots een gigantisch gat in het plafond een instorting veroorzaakt en ervoor zorgt dat Linda en haar dochter tijdelijk in een motel moeten gaan wonen.
If I had Legs I’d Kick You kiest er vervolgens voor om dit portret niet te schetsen aan de hand van observatie, wel door de kijker zoveel mogelijk binnen te trekken in het hoofd en de symptomen van de protagoniste. Het geluidsdesign dat daarvoor gehanteerd wordt is er volledig op gericht om ons zo dicht mogelijk zelf op de rand van een zenuwinzinking te brengen. De viscerale impact van de sonore aankleding is een voortdurende aanval op onze zintuigen en zorgt, in combinatie met een cameravoering die nauwelijks wijkt van het gezicht van Byrne, voor een naargeestige maar ook efficiënte onderdompeling in de gekwelde leefwereld van het hoofdpersonage. Dat wil niet zeggen dat daarom alles even goed werkt: de terugkerende symboliek van een donker gat – dat in het plafond, dat in het lichaam van het kind door de intubatie, het figuurlijke gat in Linda’s denkwereld – is wat al te nadrukkelijk en zwaar op de hand en ook een nevenplot over de relatie met een
conciërge in het motel (rapper A$AP Rocky) voegt weinig toe en leidt tot de vaststelling dat de film beter nog wat meer vertrouwen had gehad in de eigen audiovisuele parti pris en geen nood had aan overtollige ballast. Toch kan je er niet om heen dat er bewondering opgebracht moet worden voor de gedurfde manier waarop Bronstein probeert te zoeken naar het filmische equivalent van een geestestoestand.
Wat Rose Byrne betreft, kunnen we kort zijn: ze slaagt erin ons blijvende empathie te doen voelen voor een personage dat eigenlijk op de zenuwen werkt, geen geringe prestatie die je nochtans niet meteen zou gezocht hebben achter de actrice uit Neighbors en Bridesmaids.



