Flitsende beelden van een druk Tokio wisselen af met appartementsblokken en trams die het straatbeeld doorkruisen. Rental Family, in zijn Franse titel Dans la Vie des Autres, nestelt zich letterlijk in het leven van anderen. De film voelt als een zachte handleiding tot empathie, een oproep om meer begrip op te brengen voor elkaars eenzaamheid, zonder ooit echt confronterend te worden. De Japanse filmmaker Hikari, bekend van de bekroonde serie Beef, verkent in haar tweede langspeelfilm een wereld waarin iemand inhuren om tijdelijk een rol in je leven te spelen, opvallend eenvoudig blijkt.
Brendan Fraser fungeert daarbij als menselijke toegangspoort tot dat bizarre, maar tegelijk verrassend, alledaagse universum. Hij speelt Philip Vanderploeg, een Amerikaanse acteur die al zeven jaar in Tokio woont nadat hij er ooit belandde voor een absurde tandpastareclame. Sindsdien jaagt hij vergeefs op “echt” acteerwerk. Wanneer hij wordt opgebeld om een ‘sad American’ te spelen, komt hij terecht bij Rental Family, een bedrijf onder leiding van Shinji Tada (Takehiro Hira) dat acteurs inzet om hiaten in het leven van anderen op te vullen. Wat aanvankelijk ludiek lijkt, schuurt al snel wanneer Philip wordt gevraagd een bruidegom te spelen voor een vrouw die haar homoseksuele relatie verborgen houdt voor haar familie.
Hikari opent sterk met Philip die vanuit zijn appartement door de ramen van overburen tuurt, alsof hij voorzichtig andere levens binnendringt. Dat observerende perspectief zet de toon, maar verliest gaandeweg zijn scherpte wanneer de film zich opsplitst in meerdere verhaallijnen die elkaar te snel afwisselen om echt te raken. Naast Philips opdrachten, als vaderfiguur voor het meisje Mia (Shannon Mahina Gorman), als beste vriend of als nieuwsgierige journalist, volgen ook andere scenario’s elkaar op. Zoals collega Aiko (Mari Yamamoto), die de rol van overspelige vrouw opneemt om namens de echtgenoot haar verontschuldigingen te maken. Het resultaat is een kakofonie van intenties die de emotionele impact afzwakt.
Opvallend is hoe voorzichtig de film blijft omgaan met zijn eigen thematiek. Zelfs wanneer Mia ontdekt dat Philip niet haar echte vader is, en diens terugkeer slechts een rol bleek, kiest het scenario voor een sprookjesachtige afronding waarin alles netjes wordt gladgestreken. De harde realiteit waar het concept van ‘mensen te huur’ onvermijdelijk naartoe leidt, blijft consequent op afstand. Dat is spijtig, zeker omdat Rental Family zich nochtans beroept op een bestaand Japans fenomeen, waarin acteurs worden ingehuurd voor bruiloften, begrafenissen of familiale verplichtingen.
Fraser, die na zijn Oscarwinnende rol in The Whale opnieuw een eenzame buitenstaander vertolkt, brengt wel degelijk een oprechte kwetsbaarheid mee. Zijn Philip worstelt steeds meer met de grens tussen fictie en werkelijkheid, voelt zich verantwoordelijk voor de mensen die hij slechts “speelt”, en verliest zich soms volledig in hun verlangens en illusies. In intieme momenten, met het meisje dat hij wil helpen slagen, of met een oude acteur die hij in zijn dementerende leefwereld volgt, toont de film even haar ware potentieel: emoties mogen dan gebouwd zijn op een leugen, ze blijven echt.
Toch blijft Rental Family te vaak hangen in een veilige, voorgekauwde benadering van eenzaamheid en identiteit. De film benoemt expliciet hoe grootstedelijke isolatie mensen richting substituten voor echte relaties duwt, maar verpakt dat inzicht in een te licht en geruststellend jasje. Wat gevaarlijk dicht tegen identiteitsfraude aanleunt, wordt hier herleid tot een warm humanistisch sprookje. Dat maakt de film toegankelijk, maar ook opvallend braaf.
Het idee van een ingehuurd familielid biedt een vreemd komische insteek die om kritische observatie vraagt, maar Hikari benut dat potentieel zelden ten volle. Rental Family kijkt meelevend toe, maar durft zelden door het raam naar binnen te stappen.



