Bier/Vrouwen/Koeien
Ook in Nederland is zondag op lokale festivals de familiedag. Terwijl we tussen de kinderen door laveren, ontwaken we zo bij De Stekkers, Eindhovens garagetrots bij uitstek. Trash We Can titelt hun album, en daar heeft Obama niet alleen niet van terug, het is ook de perfecte samenvatting van wat dit zootje vaders op leeftijd – het kek 3D-brilletje op de smoel kan dat niet maskeren – serveert. Terwijl hun toetsenist maar blijft zeulen met zijn typisch Eindhovens Philicorda-orgel alsof hij de juiste plek niet kan vinden, rammelt en host dit door op zijn Sonics. Kondigt de frontman – het internet laat geen namen los – aan: “Dit nummer gaat over”, en dan volgt naargelang “drinken”/”bier”/”koeien”/”vrouwen”; zo’n band dus. Mannen met jaren op de teller, en evenveel café-ervaring; “write what you know”, zeggen ze dan. Het is allemaal niet nieuws, maar als de drummer raak mept, klettert het allemaal wel heel erg lekker.
Een pose in Het Bos, en dan nog een, en nog een. De Braziliaanse Flavia Couri weet wat fotografen willen, en geeft het gretig. Martin Couri, haar Deense wederhelft, heft een hand op, stampt zijn basdrum in gang. Â Een kettingzaagriff zet “You Woo Me” in, en weg zijn The Courettes voor een strak getimed uurtje garagerock. “The Boy I Love”; vleugje “Locomotion”. “Until You’re Mine”; een Cramps-lick.
“Vrouwen naar voor”, eist Flavia voor “Night Time (The Boy Of Mine)”, en op de eerste rij weet een achtjarig meisje nu wat ze met de rest van haar leven wil aanvangen. “Keep Dancing”, kondigt Flavia een nummer aan, en ze voegt aan die titel toe: “I think you know what to do.” En het is dat nummer, dat heel erg leentjebuur speelt bij sixties girl groups, dat er uiteindelijk het meeste uitspringt; een vleugje pop misstaat dit duo niet, maar daar gaat het hen niet om. Nog maar eens een coole pose voor “Shake!”, nog even crowdsurfen en dan eindeloos buigen, en weer zijn er wat zieltjes gewonnen.
Ondertussen is de zeecontainer waar jongerensoos Jonosh met Verloren Lading zijn schalkse feestjes organiseert even ingenomen door treurwilg Shadwick Wilde. “Ik ben degene die ze bellen als het feest te heftig is om iedereen een beetje te kalmeren”, grijnst de voorman van indiebandje Quiet Hollers, “maar kom, hier is een vrolijk nummer. Over een huurmoordenaar.” Het is dat we door moeten naar Porcelain id, of we waren ademloos blijven kijken naar deze man die met kleine, mooie melodieën dit verborgen hoekje van het terrein in de ban hield.
Maar dat de plicht dus roept, want dit is de laatste keer in lange tijd dat we Hubert Tuyishime nog met band zullen zien, er moet immers een nieuwe plaat geschreven. Het begint alvast met onze buur, die na nauwelijks één vocale uithaal zijn hoofd schudt en afdruipt; het is niet voor hem. Gek, want hoe euh, briljant, was dat aan alle stadsskaters opgedragen “Brilliant” niet? “You Are The Heaven” is voor “alle sukkelaars”. “In dit leven wil ik nog een vrij Palestina zien”, smeekt de zanger.
In “Habibi” danst hij, springt hij, huppelt hij. Nard Houdmeyers jaagt er een bluesgitaar door. “Rhythm Machine”, geschreven tijdens de pandemie als ode aan zijn collega-muzikanten, wordt gloedvol gebracht. Even bezield volgt “Muschel”, ooit ontstaan als reactie op de moord op George Floyd, nu gelinkt aan de Palestijnse miserie. Hij weeft er een moeizaam meezingmoment in. We doen ons best, hij stelt ons gerust: “jullie zijn oprecht schatjes.” Neenee, jij bent een schatje, Hubert. Alsjeblief!
De grote headliner op die laatste dag is de comeback die je echt echt écht niet zag komen. Want wie had kunnen denken dat twintig jaar na de hype Clap Your Hands Say Yeah hier nog zou staan, om net dat debuut te vieren. Sneller dan tijdgenoten als Arcade Fire en Wolf Parade verdween de band rond Alec Ounsworth uit de publieke gratie, en wie het niet van dichtbij volgde, kon denken dat hij van de aardbodem was verdwenen. Wat een geluk dat dat niet het geval was.
Van bij opener “Clap Your Hands!” voel je dat dit goed zit, dat dit juist is. De melodietjes zwelgen in de melancholie, die rare, rà re stem van Ounsworth doet daar nog een schepje bovenop. In “Details Of The War” zit een halve americana-song verborgen, maar je ziet ook een frontman waar het ongemak van afdruipt.
En toch werkt het. “The Skin Of My Yellow Country Teeth” is het hitje van toen, en wie hier uitbundig staat te springen bij dat refrein, is ook van toen. Naast ons hebben een paar oudere jongeren de avond van hun leven. Ounsworth gaat er allemaal filosofisch mee om. “Het is voor mij ook twintig jaar geleden dat ik dit nummer speelde, dus ook voor mij zitten hier verrassingen in”, zegt hij ergens, en hij speelt dat bizarre stukje nog eens, haalt de schouders op. “Om een of andere reden vond ik dat toen nodig. Nu vind ik het gewoon grappig, en hou ik het ook zo.” Waarna hij een song aankondigt over de universiteit: “Ketamine And Ecstasy”. Humor.
Dat een band als Clap Your Hands Say Yeah hier headliner kan zijn, is de charme van dit Misty Fields, dat zichzelf zo comfortabel in zijn niche heeft genesteld dat het er wel heel erg goed toeven is. Programmator Marco Verberne haalt zijn schouders op voor showcasefestival Eurosonic; die bandjes kent hij al, en heeft hij vaak al geprogrammeerd; dat zegt het zowat. Het is voorbij Eindhoven, afslag Asten-Heusden waar je moet zijn voor de vinger aan de pols. En dan zeg je als bandje al eens: “potverdikke, wat een koeien.”



