Arcade Fire :: The Suburbs

The suburbs: sommigen vinden het een filiaal van de hel, anderen noemen het “thuis”. Over die tweespalt heeft Arcade Fire zijn derde plaat geschreven. En dat is het juiste werkwoord: zelden waren teksten zo essentieel om een plaat te voelen die er om smeekt als een ouderwets geheel te worden beluisterd.

“Every man leads a life of quiet desperation”, sprak een zwaarmoedig man ooit, en hij heeft ongetwijfeld gelijk. Elke ochtend hijs je jezelf te vroeg het bed uit voor een job zonder toekomst, je duikt de douche onder en staart nadien in een leeg gezicht dat ouder is dan je dacht. Dit is toen niet meer, toen je zo jong was als je in gedachten nog bent. Zou willen zijn. Dit is nu: zoveel jaren later, wanneer het vuur al lang gedoofd is en je wakker wordt in een leven dat je niet had verwacht. Je leeft in je eigen anonieme voorstad en het enige wat je voelt, is heimwee naar de tijd dat je opgroeide in die van je ouders.

Maar herinneringen zijn een bitch en hebben een bedrieglijke relatie met de werkelijkheid. Kevin, waar je toen op straat mee voetbalde, is nu ook maar een verkoper laag op de ladder, die ‘s avonds op café zijn das lostrekt en zwetend probeert de dag te vergeten, en Sarah een eenzame huisvrouw wier man haar vorige maand heeft laten zitten. En toch spoken die beelden van vroeger door je hoofd. Als een vaag knagend heimwee naar een tijd die al voorbij was toen je nog dacht dat het nooit anders zou worden.

En zo is The Suburbs van Arcade Fire bijna het perfecte negatiefbeeld van debuutplaat Funeral uit 2004. Waar dat album bijna uit zijn voegen barstte van jeugdige Sturm und Drang, van “I’ll dig a tunnel from my window to yours”, doet deze derde plaat het met de voorzichtigheid en melancholie waarmee men op een katerdag bladert door albums vol langzaam vergelende foto’s: de zin voor uitbundigheid verdwijnt en de nostalgie neemt over.

Over een marcherend ritme opent Win Butler de plaat en de titelsong: “In the suburbs I learned to drive”. Meer dan een opener is het niet, maar wel één die de luisteraar de wereld van de voorsteden binnentrekt. “Under the overpass”, “In the parking lot”, “From the hot pavement into the grass”; de toon is gezet. We zijn “Ready To Start”en dit is meteen een song met een beginselverklaring: “if the businessmen drink my blood like the kids in art school said they would, then I guess I’ll just begin again”. Vijftien songs later krijgt het samen met “I know we’re the chosen few but we waste it” uit “Modern Man” een echo: “All the time that we wasted/I’d only waste it again”. Geen spijt, enkel een begrijpen van de onvermijdelijkheden van het leven.

Wat tussen dat begin en dat einde gebeurt, laat zich het beste vatten als een nachtelijke rondrit door die Amerikaanse suburbs, waar shopping malls bergen naar de kroon steken. Ter voorbereiding trokken Butler en vrouw Régine Chassagne terug naar de voorsteden van hun jeugd. Het resultaat is een serie mijmeringen over vroeger, vignetten uit een verleden dat rooskleuriger en romantischer wordt voorgesteld dan het was, door protagonisten die dat ook weten: “I used to think I was not like them, but I’m beginning to have my doubts about it”.

Muzikaal bevat The Suburbs het meest ingehouden werk dat de groep al afleverde. Weg zijn de bombastische opeenstapelingen van instrumenten van Funeral — of het zou in toekomstig livefavoriet “Empty Room” moeten zijn — en ook de Bruce Springsteenmaniërismen van opvolger Neon Bible bleven op stal. Wat we krijgen, is een verrassend veelzijdige plaat, songs die zich gaandeweg onder je huid nestelen. Van akoestische niemendal gaat het naar punkfolk (het wat overbodige “Month Of May”), huppelende folkrock (“Ready To Start”) en van daar weer naar vintage elektronica. Dat laatste is overigens een goeie zet. Zowel “Half Light II (No Celebration”) als “Sprawl II (Mountains Beyond Mountains)” — meer dan een vage echo van Blondies “Heart Of Glass” — horen bij de beste songs op de plaat.

Beide tweeluiken — “Half Light” centraal halverwege, “Sprawl” net voor het slot — zijn dan ook de hoekstenen waarop The Suburbs is gebouwd. De verhalen van Butler en Chassagne versmelten, individuele herinneringen blijken plots gedeeld. Het zijn momenten van inzicht. “Some people say we’ve already lost/But they’re afraid to pay the cost” gaat het in “Half Light II”, in “Sprawl II” verzucht Chassagne: “Can we ever get away from the sprawl?”.

Het antwoord is natuurlijk: neen. De immer uitdijnende voorstad heeft ons in haar greep en laat ons niet meer los. Zoals ook een mens ooit wel moét opgroeien, zelfs al wringt dat aan alle kanten en voelt het alsof de zeeroverszwaarden je langzamerhand van de plank het diepe in dwingen. Net als High Violet van The National eerder dit jaar, is The Suburbs het geluid van wakker worden in een volwassen leven en het gapende gat voelen dat dat heeft veroorzaakt; een verre, meer wanhopige echo van de oerkreet “how did I get here?” van Talking Heads, maar ook: een berusten en het koesteren van herinneringen aan dat verleden, weten dat het niet anders kon lopen en daar vrede mee hebben. En dat kunnen wij ook, zolang het maar prachtplaten als deze oplevert.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × 3 =