Toe, laten we nog even doen alsof de dagen niet merkbaar korter worden, dat briesje gewoon zwoel is en de nachten zorgeloos. Royel Otis to the rescue: hun zonovergoten hickey gunt ons nog een laatste strohalmpje zomer om ons gretig aan vast te klampen.
De carrière van Australiës meest laidback duo raast als een Tasmaanse duivel: amper een jaar na hun debuut komen Otis Pavlovic en Royel Maddell al met album twee op de proppen. Daarop vonden ze zichzelf niet opnieuw uit, maar blonken ze hun succesvol gebleken formule op. Denk: krakkemikkige gitaartjes, leutige synths en Pavlovic die oneliners zingt met de stem van een jongetje dat al een leven lang door z’n ouders geadoreerd wordt.
Moeiteloos cool, zegt ook het chronische gebrek aan hoofdletters. Maar wij laten ons niet bedotten door dit ogenschijnlijk understated slackerplaatje: ‘t is faux nonchalance. Poppareltjes als “car”, “who’s your boyfriend”, waarop ze ergens tussen New Order en The 1975 landen, “i hate this tune” – dat slordig wegratelend introotje, die 80’s glam synths – en “say something” zijn tot in de puntjes uitgewerkt. Op die laatste tekenen ze nipt voor de tweede meest meeroepvriendelijke “Never enough!” van het jaar (hallo Turnstile!)
Kreeg het geheel misschien toch een wreefje te veel? Wel ja. We missen een vuil randje onder de nagels zoals “Oysters In My Pocket”, of zoals “Big Ciggie” dat had op Royel Otis’ eerste worp Pratts & Pain. Dat debuut namen ze op in het grijzere Londen onder toeziend oog van Dan Carey, die nu niet bepaald bekend staat om z’n propere werk (de man achter Speedy Wunderground deed eerder Fontaines D.C., Heartworms, Been Stellar en Wet Leg op hun gruizigst klinken). Voor hickey kregen de Aussies vier maanden opnametijd in glanzende L.A.-studio’s met een resem doorwinterde producers die op hits jagen. Dat durft al eens te resulteren in een opgepoetst album. Case in point: “torn jeans”, “come on home”, “dancing with myself” en “she’s got a gun” passen binnen het kader, maar passeren, terwijl het sexy smeulende “shut up” dan weer pas twee dagen voor de deadline uit hun pen vloeide en dus snel-snel afgewerkt werd. Trek er jullie lessen uit, jongens.
Royel Otis’ hickey doet ons nu al nostalgisch voelen over de zomer van ’25. Hun vluchtige zuigzoen van een plaat is er een die thuishoort in de betere highschoolfilms van rond de eeuwwisseling. We krijgen rechttoe-rechtaan beschreven cutesy romances, messy break-ups, maar vooral veel fun. Licht verteerbaar, maar toch net genoeg diepgang; de verleiding is groot om op een zwak momentje nog eens op play te drukken. En weet je, het hoeft eigenlijk niet altijd een Kubrick of Lynch te zijn.




