Werchter 2025 :: Het telefoonboek als rauwe tragedie

Vrijdag 4 juli: Het zelfvertrouwen van kampioenen

Slecht geslapen, vroeg op de wei, veel in te halen. Dag Twee komt traag op gang, maar komt dan ook wel op stoom. Wordt het thema van de dag: punk, en wel in a one-two-three!

Wanneer wij eindelijk bijgeschreven zijn van gisteren, is het al vlot twee uur gepasseerd, en zit Sylvie Kreusch halverwege haar set op de Main Stage. Blijkt: hier is ze voor geboren, voor deze setting, waar de eerste rij tien meter ver is, en je het van het grote gebaar kunt hebben. Voelde dat afgelopen winter op Eurosonic nog wat ongemakkelijk, dan klopt het hier met grote k. Dit is haar moment, haar plek, en meer dan ooit pakt de Eerste Diva van het Land het. “Just A Touch Away” is heerlijk onderkoelde disco, “Pleased To Devon” danst op olijke handclaps, maar het is de piano van “Sweet Love (Coconut)” die de boel helemaal binnenkopt. Wat een melodie, wat een popsong, wat een, welja, diva.

Wat een contrast ook is Jasmine.4.t hierna. Meer nog dan op Best Kept Secret enkele sets geleden, speelt de transartieste op The Slope een set die weigert zijn voeten te vegen. Op plaat loopt ze aan het handje van alt.country-artiesten Lucy Dacus en Phoebe Briders, live glijdt het almaar meer uit over zijn eigen vuil, en dat snijdt twee kanten op: het rockt, het is smerig, maar die rücksichtslosheid vertaalt zich ook in slordig spel, en vooral zang die de toonladder als een af te wijzen heteronormatief patroon ziet. En toch werkt het, zowel het “Free Palestine” dat in deze tijden gewoon moét (ja.), als het rauw uitgesponnen “Did U Know” waar de geest van Neil Young in rondwaart. Iets zegt ons dat Jasmine Cruikshank nog maar begonnen is, en dat debuut You Are The Morning niet meer dan een eerste schot voor de boeg.

Meer kleine meisjes worden groot. Hoe hard is Rhian Teasdale in haar rol als frontvrouw gegroeid? Meteen is ook Wet Leg iets anders geworden dan het grinnikende duo van enkele jaren terug. Partner-in-crime Hester Chambers heeft zich schijnbaar probleemloos in de veranderde dynamiek ingeschreven, en zich de rol van gitariste op het tweede plan aangemeten. Het klopt ook zo, en het heeft ook de band deugd gedaan, die van de weeromstuit een meer gespierde sound heeft aangemeten.

Past ons dus: een klein excuus. Toen we de band vier jaar geleden op Pukkelpop zagen spelen (of niet, want de Club was flink gevuld), vergeleken we hen nog met Angel Corpus Christi, een one hit wonder uit de jaren negentig dat u zich niet meer herinnert, en dat was het punt. Vandaag eten we onze woorden op, want het lijkt er op – hoe is het in Godsnaam mogelijk! – dat we ons hebben vergist. Met tweede plaat Moisturizer op uitkomen, toont zich hier een band die zich vanaf opener en eerste single “Catch These Fists” bereid toont tot knokken. Teasdale heeft zich ontpopt tot een geboren frontvrouw, met een overdosis zelfvertrouwen die enkel bewonderenswaardig is te vinden, is elk moment op een hoek van het podium te vinden, desnoods gedrapeerd over een ventilator – oppassen met dat lange haar, meid!

Soit, klinkt dus allemaal goed, zo omringd als het tweetal is door een stel mede-Vikingen van hun Isle of Wight (best vertegenwoordigde eiland van dit weekend, overigens). “Supermarket” knalt, in “Ur Mum” vraag je je af hoe entertainend je een krijsmoment kunt maken. Het is voor één keer geen retorische vraag, het antwoord is: “héél erg”, en ook “amai, die kan nogal krijsen”. En dan is er nog “Too Late Now”, waarin de versnellingen blijven komen. Grote doorbraaksingle “Chaise Longue” is nadien enkel nog een kleine herinnering hoe het begon, waarin het plezant “WHAT?” meebrullen is. “You want to fuck me? I think most people do”, zingt Teasdale ergens in een nieuw nummer. Dat soort zelfvertrouwen, dus: dat van kampioenen.

Bad Nerves beginnen er aan The Slope vervolgens bescheiden aan. Een kleine circle pit ontspint zich ergens vanaf de vijfde rij; er is ook volk dat gewoon wil kijken, meneer. Wanneer de Britse groep zich in “Don’t Stop” knalt, heeft het publiek de hint begrepen, en begint een soort vermenigvuldiging die maar niet stopt. Tegen “Palace”, nummer drie, worden we vanzelf een paar rijen naar achter geduwd. Kolkt het? Wat is dat hier toch met al die retorische vragen?

Bad Nerves heeft er lang over gedaan, maar lijkt vandaag finaal begonnen aan zijn verovering. Wanneer Bobby Nerves (dat is Ramones voor ‘we zijn allemaal deel van de band’) opmerkt dat twee crowdsurfers écht niet genoeg is, is het hek van de dam. Een onophoudelijke barrage van surfers kletst ons in de nek, en eerlijk: dat is lastig. Kijk, jongens: het is òf een goeie pit, òf crowdsurfen, maar never the twain shall meet. Dat gaat gewoon niet.

We zitten ondertussen aan “USA”, nummer zeven, en als ik er van uitga dat aan de andere kant van de middenbarrière hetzelfde gebeurt, zitten we aan viér circle pits. Het vraagt enkel nog die geweldige doorbraakhit “Can’t Be Mine” vooraleer de osmose gebeurt, en alles op zijn kop gaat staan. Moeten we nog eens het woord pandemonium uit onze koffer halen? Welaan, dan: alsof wij daar veel aansporing voor nodig hebben.

En voor wie twijfelt, het bewijs: het nummer is net afgelopen als het publiek dat refrein blijft zingen. De band antwoordt op zijn Hives: met een standstill, waaruit na een eindeloos bevroren moment en een one-two-three “You’ve Got The Nerve” wordt geboren. Noem het een theme song als een ander. “You like fast music, no?” concludeert Nerves, Bobby, en hij kondigt hun snelste song aan. Goeie opwarmer voor Green Day? Hou eens op zeg. Je weet het.

Een beetje anticipatie en opbouw, graag, want een festival is als goeie seks. Nu nog niet Green Day, dus, eerst wat nostalgie. Maar kun je dit Weezer wel nostalgie noemen als het zo goed is als vandaag? Was het vijftal hier in 2023 nog een aanfluiting, een memeband uit een soort van wanhopige poging relevant te blijven, dan heeft Rivers Cuomo eens flink in de spiegel gekeken, en vond hij vervolgens zijn eigen waardig ouder worden vorm te geven. Te weten: own your shit.

Ja dus, Weezer is die band die met The Blue Album in 1995 doorbrak, en daar altijd voor een stuk tot zal worden teruggebracht. En het is ook die band die minstens een decennium lang daarna altijd een goeie single of twee in huis had. Cuomo heeft de optelsom gedaan, en geconcludeerd dat daar alles bij elkaar een goeie setlist in zit, van opener “Hash Pipe” tot afsluiter “Buddy Holly”, en alles daartussen.

Hebben wij meegezongen? Jongens toch. Dat was alleen al bij “My Name Is Jonas” zo. Dit was Weezer op zijn best; gewoon knallen, de nummers spelen, en je ondertussen af en toe ontpoppen tot gitaarheld. Want Cuomo kàn een gemeen stukje gitaar spelen, zo blijkt uit zijn solo’s, of een melodie of duizend, desnoods eentje die – “Surf Wax America”! – doelbewust naar The Beach Boys ruikt. En ja, dit is nog altijd de onnozele band van immers. De parlando stukken van een meegebruld “Undone (Sweater Song)” gaan natùùrlijk over waffles en cuberdons. Cuomo zou geen Cuomo zijn als hij niet op elk mogelijk moment een verwijzing naar ons land of dit festival zou steken.

De visuals zijn ondertussen van een soort, euh, creativiteit die doet vermoeden (je wéét gewoon dat het zo is) dat minstens één groepslid zich ooit een avond heeft vermaakt met een AI-generator: ràre shit, maar het past. En dat Cuomo dus een meester van de melodie is. Want wat zeg je anders over topsongs als “Island In The Sun” of “Holiday?”, laat staan over dat refrein van het verder compleet onnozele én onweerstaanbare “Pork And Beans”? Dat dit een setlist was om duimen en vingers af te likken, en dat wie dit niet begreep, gewoon niet klaar is voor echte vreugde?

“Nous sommes Weezer”, deelde Cuomo in aandoenlijk Frans mee na nauwelijks twee nummers. Het klopte in het Frans, in het Duits, en zelfs het Lets en het Sloveens: niemand is zo goed in Weezer zijn als Weezer. Ze moeten het alleen écht willen.

Ik herinner me de eerste keer dat ik Girl In Red zag. Het was Eurosonic 2019 en Marie Ulven was een jonge singersongwriter die eindeloos ratelde tussen twee nummers in. Vandaag doet ze dat nog altijd graag, zij het toch iets beknopter, maar is ze vooral een doorgebroken artieste; eentje die haar crowd vond, en dan vooral bij hen van de Sapphische Liefde. Het is een thuiskomen dat haar gegund is, maar haar niet altijd gemakkelijk is afgegaan. Vandaag vertelt Ulven over een moeilijk periode, verslavingen en wat dies meer, waar ze mee heeft geworsteld, maar staat ze er duidelijk opnieuw.

En toch. “Rock music is also ballads”, zegt ze, en ze speelt een nummer dat niet had gemoeten. Ze heeft dan al gevraagd om mee te wuiven bij “I Call You Mine”. Het duurt tot de eindspurt, wanneer Ulven dan toch de rocksongs waar ze goed in is, bovenhaalt, vooraleer alles loskomt. In “Phantom Pain” staat ze te shaken op de rand van het podium, met een indrukwekkend soort benenwerk, en wanneer ze bij afsluiter “I Wanna Be Your Girlfriend” roept “We’re not fucking done yet” voor een korte rockout de boel echt afsluit, besef je hoeveel persoonlijkheid in dat meisje zit. Zelfs al zou je het willen; ze gaat niet weg. En maar goed ook.

Tijd voor iets anders, echter, en dat laat zich het best samenvatten als “Two MC’s and one DJ”. En als u dat citaat kent, dan weet u wat u mag verwachten van Joey Valence & Brae: iets dat meurt naar New Yorkse hiphop, geboren is in New Yorkse hiphop, en zijn invloeden op de mouw draagt. Yup, je kunt the Beastie nog altijd niet uit deze boys denken, maar het doet minstens een halve set lang niet ter zake. We moeten het uiteindelijk al zo lang stellen zonder MCA, dat het niets uitmaakt dat Valences timbre aan de betreurde Adam Yauch doet denken.

Vijvenvijftig minuten kreeg het duo, en dat waren er minstens twintig te veel, maar wanneer het goed was, was het verbluffend goed. Valence en Brae hebben de flow, de beats en de style om dit te verkopen. De radiohits? Die nog niet, maar dat komt ooit wel, want “BADDEST” met zijn “I’m the baddest bitch in the club” is nu al een publiekspleaser. Dat het duo ook de frat boystreken van hun voorbeelden hebben, nemen we er daar bij. Dat het soms iets te veel naar Prodigy meurt, de drops te plat worden, en een nummer met JPEGMAFIA (niet aanwezig) nu ook niet echt had gemoeten; het hoort er ook bij. Het enige wat een mens kan bedenken is dat Joey Valence & Brae ondertussen wel al best lang aan de doorbraak aan het timmeren is. Als het er nog van wil komen, wordt het wel tijd.

“Bad Year” spelt een zeppelin-vormige ballon die halverwege “When I Come Around” wordt gelost, en dat is natuurlijk zo. De wereld zit op een onstuitbare glijbaan richting af, het wordt moeilijker en moeilijker om oorlog, klimaatproblemen en andere ellende te negeren. Gelukkig was er Green Day om ons even uit de miserie te halen, zonder oogkleppen, weliswaar: als was het vanzelfsprekend smokkelde Billie Joe Armstrong Gaza, Oekraïne en Trump in oude teksten.

Erger dan dat: Armstrong had dat soort moves bijna niet nodig om “American Idiot” of “Holiday” te updaten naar vandaag. Irak-oorlog, Gaza, de verantwoordelijkheid van de VS blijft onmetelijk groot, het sentiment is in twintig jaar niet veranderd. Wat een openingstrio, overigens, met ook nog een “Know Your Enemy” waar meteen een fan the time of her life mag hebben door een aardig potje mee te zingen. Het is meteen duidelijk dat hier niemand tegen zijn zin staat, dat zowel Armstrong, Mike Dirnt als Tré Cool van dit uitje genieten, en we vermoeden dat dat ook opging voor toetsenist Jason Freese en gitarist Jason White, die dan wel geen deel van de band uitmaken, maar er ook wel al heel lang bij zijn.

Het is jammer dat Green Day die dertigste verjaardag van doorbraakplaat Dookie uit 1994 hier niet voortzet, want hoe je het draait of keert: samen met het werk van het tien jaar jongere American Idiot is dat de kern van de groepscanon. Het is vroeg in de set het dubbeltje “Longview”/”Welcome To Paradise” datvoor het volgende hoogtepunt zorgt. En ja we weten dat dat laatste ook al op voorganger Kerplunk! stond, maar als zij het mochten hernemen op hun major labeldebuut, dan mogen wij dat daar ook toe rekenen.

Het is in zo’n momenten dat je hoort waarom Green Day zijn punkroots razendsnel is ontstegen. Armstrong is geen punker, maar een regelrechte Beatlesfan, die een oor voor onweerstaanbare melodieën heeft. Je hoort het ook aan dat “Minority”, ook maar een latere single voor een van de minder sterke jaren negentigplaten, hoe hij van een niemendal een onweerstaanbare meebruller weet te maken.

Wat overigens niet wil zeggen dat Green Day zowel in de jaren negentig als de jaren tien geen onbelangrijke platen heeft gemaakt die bijna zijn samen te vatten als pissen op hun reputatie. Al een geluk dat de groep het verguisde trio Uno!, Duo!, Tres! wijselijk negeert, maar ook voor “Look Ma, No Brains!” komen wij geen enkele ochtend ons bed uit.

Er waren dus minder goeie nummers, met een goeie luizenkam en wat gebalder spel was deze set vlot in te dikken tot anderhalf uur, maar we gaan u daar niet mee lastig vallen. U weet dat nu. Waar het om gaat is dat de hoogtepunten ronduit fucking hoogtepunten waren. Een massaal, episch klinkend “Boulevard Of Broken Dreams”, bijvoorbeeld, of een nog grootser “Wake My Up When September Ends”; het zijn momenten van samenkomst, samenzang, met Armstrong die zich opwerpt als de beste predikant van het moment. Hij heeft het over de kracht van de menselijke ervaring, en je weet dat het daarom is dat dit werkt. Je staat hier met vrienden, te kijken naar drie vrienden op een veel te groot podium, en je voelt dit met elkaar.

Het laatste hoogtepunt is “Jesus Of Suburbia”, dat epos in vijf delen op zijn Queens dat geeft en blijft geven. Je kunt het gek vinden hoe die dissectie van het kleinstedelijke, Christelijke Amerika hier doel raakt, maar we hebben allemaal de series, de films gezien; we weten dat Vlaanderen bij momenten even bekrompen kan zijn met zijn verstikkende middenklassemoraal: same same, but different, dit “land of make-believe”.

Ik vergat nog “Basket Case” te vermelden, of “When I Come Around”, twee andere Dookie-momenten, ik kan bezig blijven. Nogmaals: ja, het was te lang, er waren momenten die niet moesten, maar Green Day was een kleine twee uur lang zo joyeus, feestelijk, levensbevestigend dat dat meegezongen “It’s something unpredecitable, but in the end it’s right / I hope you had the time of your life” van “Good Riddance (Time Of Your life)” op het einde van diep komt. Hier stond een band die gaf, en wij gaven terug. Dit Green Day kan ik gerust om de paar jaar terug zien.

Beeld:
Nick De Baerdemaeker, André Joosse, Jan Van den Bulck

verwant

Gorillaz derde naam voor Werchter

En daar is nummer drie. Gorillaz zal op zaterdag...

Leffingeleuren 2025 :: Een mime van mysterieuze handelingen 

Nog een laatste driedaagse, dan is de festivalzomer van...

recent

We Are Open 2016 :: Een Duitser met een rups onder de neus

Terwijl Studio Brussel zijn nieuwste vaderlandse vriendjes kiest, de...

Crime 101

“Crimineel die een laatste grote klus wil klaren om...

Zondag de negenste

Met Zondag de negenste maakt Kat Steppe haar langspeeldebuut....

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in