Zaterdag 5 juli :: Alle demonen in het gelid
De Dag Drie Des Doods: alwéér niet geslapen, geen headliner die naam waardig, een appèl dat met Bright Eyes vroeg ligt. En toch zal deze festivaldag zich aangenaam ontrollen, als eentje van veel contrasten. Als een balletje in een flipperkast schieten we van hard naar zacht, en van licht naar donker. Van de regen in de drup? Let’s hope not.
Er waren tijden dat Bright Eyes Dour headlinede, de laatste keer dat we Conor Oberst zagen stond hij machteloos in de slagschaduw van Arctic Monkeys voor een niet eens halfvolle Pukkelpopclub. Vandaag moet zijn groep als tweede in The Barn aan de slag, en dat betekent: drie kwartier speeltijd, een aanfluiting voor het gigantische oeuvre van deze man. Niet gek dus dat deze set voelde als de bisronde van een episch concert. Wat we krijgen is een soort ingekookte ‘Best Of’ die het beste van elf albums met kracht samenbalt.
Met kracht, ja. Bright Eyes vliegt er van bij opener “El Capitan” met volle vaart in, “Four Winds” onderstreept die intentie daarna. Met punkartiest Alex Levine op bas speelt de band deze tour puur op power, gaat het om hard en luid, niet om gevoel. Dat wringt soms, maar het versterkt ook het urgente hier-en-nu-gevoel. “Jejune Stars” davert op een bijna ongemakkelijke manier, het geluid ketst in de net iets te lege Barn tegen de muren, maar: wat. Een. Refrein. En wat een Oberst, dat ook. In tegenstelling tot die laatste, pijnlijke Pukkelpassage, is de frontman er hier helemaal bij. In “Mariana Trench” zoekt hij de rand en de hoeken van het podium op, om voor de drums van Conor Elmes een wankel en moeilijk dansje te doen.
Hoogtepunten kiezen is onmogelijk. Dat “The Bible’s blind, the Torah’s deaf, the Qu’ran is mute / If you’d burn them altogether you’d get closer to the truth” van “Four Winds” blijft razend actueel, “We Are Nowhere And It’s Now” heeft een trompet en een mandoline die op de traanklieren duwen. En dan is er “Method Acting”, dat wat hapert in zijn draven, maar niettemin onstuitbaar de complexiteit van het leven bezingt. En wanneer Oberst “Shell Games” inzet achter piano, terwijl toetsenist Nate Walcott de technische problemen met zijn materiaal oplost, leidt dat tot een gloedvolle versie. Het spelplezier waarmee “Let’s Not Shit Ourselves (To Love And Be Loved)” naar een rock-out wordt gedreven is aanstekelijk. Geef deze mannen volgend jaar een hogere, langere spot; er is nog zoveel moois te krijg.
In de KlubC begint Blanco White meteen daarna aan een veeleisende set die flirt met de stilte. De Britse artiest bouwde miniaturen met elementen uit Keltische folk en Spaanse tradities en liet daarbij vaak het hoge woord aan de leegte tussen de noten. De Hollandse gasten in het publiek flirtten helaas met The Dutch Disease, en dus zat er voor Blanco ‘Josh Edwards’ White aanvankelijk niets meer in dan een gelijkspel: u praatte verdomd veel, maar u luisterde soms ook.
Dat praten was zonde, want “El Búho” was met zijn gloed, dat charango-gitaartje erg mooi, net als “Tarifa”, dat dreef op eerder West-Afrikaans snarenwerk. Dat Edwards beschikt over het soort stem die het telefoonboek in een rauwe tragedie kan omzetten, helpt. En zie: langzamerhand ging u overstag. Het ontlokt Edwards een glimlachje, wanneer violiste/toetseniste Charlotte Schnurr in “Olalla” overmand wordt door emotie golft een zee van gejuich als steun terug. Wanneer de band met “The Lily” en “We Had A Place In That Garden” aan zijn eindspel is begonnen, fluit de scheidsrechter definitief af: hij heeft gewonnen.
Terug naar The Barn, waar Amenra blaast, brult en af en toe – toegegeven – fluistert. Is dit een aangenaam contrast of een hard ontwaken? Colin Van Eeckhout leidt zijn troepen door alle meanders van zijn gemoed, roept zijn demonen op, enkel om ze in het gelid te dwingen. “Plus près de toi” schakelt zo van héél stil naar héél luid, “De evenmens” – deze frontman is een polyglot – doe het zonder aanloop en raast van roder naar roodst. En toch is het zoals vanouds “A Solitary Reign” dat tegelijk verontrustend en verpletterend is. Vooraan gaan kopjes unisono op en neer; alweer een sekte, dit weekend. Maar dan een waar ik minstens de deur voor wil openen.
Contrastje alweer? Een uur later – alsof de storm er nooit heeft huisgehouden – landt Beth Gibbons in diezelfde hangar voor een concert dat openbloeit als een lotusbloem. Trippelt “Tell Me Who You Are Today” nog binnen op onrustige percussie en zachte gitaarklanken, dan krijgt de muziek tegen “Floating On A Moment” langzamerhand een gezicht. De Portisheadzangeres mag zich dan graag in het halfduister verschuilen – soms is de slagschaduw van haar microfoonstandaard bijna genoeg daarvoor – haar stem is onmiskenbaar. In “Rewind” laat ze die nochtans omstuwen door het bij momenten dwars en balsturig spel van haar uitmuntende set muzikanten. Een bassax, of wat dan ook zorgt voor een diepe brom, die in “Tom The Model” mag terugkeren.
Dat laatste nummer laat evenwel ook horen dat Lives Outgrown, die soloplaat van vorig jaar, zich nog altijd minder makkelijk laat verwerken dan het werk van dat ondertussen drieëntwintig jaar oude debuut Out Of Season, dat ze maakte met Talk Talk-bassist Paul Webb. Een al moeilijk stil te krijgen publiek snakt naar op zijn minst meeneuriebare momenten als dit, of – eerder – “Mysteries”. En als de sfeer dan echt goed zit, als het kan: doe ons ook maar iets van Portishead. Gibbons is niet van de moeilijke soort, en speelt “Roads”, in een versie die ook zonder de beats van Geoff Barrow de lucht uit je longen zuigt.
Die stem? Die heeft zelfs geen telefoonboek nodig, die huilt in alle talen hetzelfde. Het is een universele snik die alle tristesse van de wereld te slapen legt in een bedje van troost. “Glory Box”, ook al van Portishead, is daarna het snoepje; een extraatje dat we niet eens meer hadden verwacht. En omdat het haar show is, en van niemand anders, trekt ze ons nu terug haar land in. Stevig bouwen haar muzikanten dat “Reaching Out” uit, met stuwende, bijna atonale blazers. “Merci beaucoups, très gentils!” bedankt Gibbons ons naar goeie gewoonte weer enthousiast. Alsof wij het niet zijn die een klein beetje beduusd dat blikken mormel uitwandelen.
Wat moeten wij op zo’n moment aan met die laatste flard Gurriers? Het is niet het moment, en ook niet de plaats; want met al dat stampen en daveren waait het stof zo op, dat mensen in de moshpit tekeergaan met sjaaltjes voor hun mond. De sfeer is er eentje van vettige bro’s onder elkaar; tikje te agressief en onverdraagzaam, met een hoofdrol voor oude, brute boomers, je zult het altijd zien. Ligt voorts niet aan de band, die zijn best doet om van zijn postpunk iets te maken, maar ons dat “Top Of The Bill” (voorlopig nog niet, jongens) of “Sign Of The Times” vandaag niet verkocht krijgt. Ons probleem, niet dat van hen.
“Enjoy the Yung Fella”, doet Dan Hoff ons uitgeleide. We zullen zien, Dan.
Want zo wordt een mens dus ook headliner: per ongeluk. Sam Fender duwde te veel op zijn stembanden, Yungblud op het gaspedaal. Eerst viel hij in voor Kings Of Leon – stel je voor dat we daar plots mee zaten opgescheept! – een welgemikte schop onder de kont deed hem helemaal bovenaan de affiche belanden. Klein gelukske? Dominic Harrison gaat in elk geval niet helemaal ten onder.
Meer nog, het begin is niet half zo slecht als gevreesd, met een negen minuten durend “Hello Heaven, Hello” dat alle registers opentrekt. Zonder veel omhaal schiet de Brit in “Funeral” en “Lovesick Lullaby”, surft hij verder op zijn elan. En ja, ik heb deze weide al (veel) gevulder gezien, maar wie hier staat, zingt ook ter hoogte van de PA enthousiast mee. Harrison ziet dat, en grijnst: “for the next two hours, you fuckers are mine. I reeiiiiign!” Onder de indruk van zijn promotie? Nou, neen dus.

Als Harrison zich één ding toont, dan wel showman pur sang. Hij trekt bekken die het midden houden tussen Kiss en Keith Flint van The Prodigy, weet dat hij Bowie naäapt als hij in “Strawberry Lipstick” de snaren van zijn vinnig solerende gitarist gaat likken. Geen hoek van het podium is hem te ver, geen catwalk te diep. Confetti? Vlammen? Check. Dat het inzakt, ligt niet daar aan.
Hoe langer het duurt, hoe meer de vaart echter uit deze set verdwijnt. Om de haverklap verzeilt Harrison in een publieksspelletje, en het voelt alsof zijn voorziene set van een uur en een kwart hier live voor onze ogen wordt opgerekt tot de decadente 105 minuten die hij geacht wordt te vullen. Het is onconstructief, en gaandeweg worden ook de zwaktes van ’s mans songschrijverij duidelijk. “Lowlife” drijft al duidelijk op openlijke Snoop Doggcitaten, waaronder een “lalalala” dat eindeloos wordt uitgemolken, Harrison pikt ook verder als de raven. Op verschillende momenten wilde ik over vaagweg bekende akkoordenprogressies achtereenvolgens “In the naaaame of love”, “Zohombie” of “What’s my age again?” brullen. Het werkt aanstekelijk. Ergens waar ik het niet deed, horen anderen het wel: ook een ander nummer heeft volgens hen al eens in bed gelegen bij de grootste hit van The Cranberries.
Neen dus, dit Yungblud was nog niet de headliner voor de toekomst, maar ik denk dat Herman toch tevreden nota’s stond te maken. Laat Harrison nog een paar jaar marineren, nog een plaatje maken – de man schrijft toch aan een rottempo – en hij zou hier wel eens terug kunnen staan. En wie weet, we sluiten niets uit, wordt het dan wel beter. We zijn in elk geval nog niet van die hyperkineet af.



